<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2025:13457</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-12-01T13:14:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-11-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24/3274 V</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:13457">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:13457</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-12-01T13:11:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2025:13457 Rechtbank Rotterdam , 24-11-2025 / 24/3274 V</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2025:13457:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Het verzet is gegrond, omdat de bestuurlijke dwangsom niet juist is vastgesteld. De rechtbank doet opnieuw uitspraak zonder zitting</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2025:13457:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: ROT 24/3274 V</para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 november 2025 op het verzet van</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk, het college</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van de rechtbank van 10 juli 2024 in het geding tussen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [geopposeerde]
        </emphasis>, uit Ridderkerk, geopposeerde<footnote-ref linkend="_3199e075-bc25-45a2-afed-3448c4deaa28" /></para>
      <para>(gemachtigde: mr. B. Benard),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>het college.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In de uitspraak van 10 juli 2024 heeft de rechtbank het beroep niet-tijdig beslissen van geopposeerde gegrond verklaard. In die uitspraak heeft de rechtbank onder meer het college opgedragen binnen twee weken alsnog een besluit te nemen, bij het overschrijden daarvan een rechterlijke dwangsom is verschuldigd en is de verbeurde bestuurlijke dwangsom vastgesteld op € 1.442,-. Tegen deze uitspraak heeft het college verzet ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>2. In deze procedure moet de verzetrechter de vraag beantwoorden of het beroep van geopposeerde bij de uitspraak van 10 juli 2024 terecht zonder zitting is afgedaan<footnote-ref linkend="_f05c8b81-e26f-49a5-9b92-8b50ec5ef1f6" />, omdat het beroep niet tijdig beslissen kennelijk gegrond is. Dit betekent dat de beoordeling van de verzetrechter beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder partijen op zitting te horen. Als in verzet argumenten naar voren worden gebracht, die ook nog hadden kunnen worden aangevoerd als wel een zitting zou zijn gehouden, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de buiten-zittinguitspraak. Als dat het geval is, dan is het verzet gegrond en komt de buiten-zittinguitspraak te vervallen.</para>
    <para />
    <para>3. De verzetrechter komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de verzetrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het beroep van geopposeerde en de uitspraak van 10 juli 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>4. Geopposeerde heeft beroep ingesteld vanwege het niet-tijdig beslissen op het bezwaar tegen een van rechtswege verleende omgevingsvergunning. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college nog geen (nieuw) besluit heeft genomen en dit alsnog moet doen binnen twee weken na verzending van de uitspraak, op straffe van een rechterlijke dwangsom. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het college een bestuurlijke dwangsom aan geopposeerde verschuldigd is (€ 1.442,-).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het verzet van het college</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>5. In verzet voert het college aan dat het niet juist is dat geen beslissing op bezwaar is genomen. Op 23 april 2024 is een beslissing op bezwaar verzonden aan bezwaarmakers. Dit is ook op 25 april 2025 aan de rechtbank verzonden. Gelet hierop is de bestuurlijke dwangsom niet juist vastgesteld.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Wat vindt de verzetrechter van deze zaak?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>6. De verzetrechter overweegt het volgende. In de uitspraak van 10 juli 2024 is onder meer geoordeeld dat het college een bestuurlijke dwangsom aan geopposeerde verschuldigd is voor de periode van 42 dagen (in totaal is dat € 1.442,-). Bij het verzetschrift heeft het college een schermafdruk meegestuurd van een e-mailbericht van 25 april 2024, gericht aan de administratie van deze rechtbank. Daarin staat dat inmiddels een beslissing op bezwaar is genomen die is verzonden naar de gemachtigde van geopposeerde op 23 april 2024. Gelet op wat in verzet is aangevoerd, is daarmee twijfel ontstaan over de hoogte van de bestuurlijke dwangsom die in de uitspraak van 10 juli 2025 is vastgesteld.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>7. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 10 juli 2024 komt te vervallen, voor zover die ziet op de hoogte van de bestuurlijke dwangsom. Voor het overige laat de verzetrechter de uitspraak in stand.</para>
    <para />
    <para>8. De rechtbank doet opnieuw uitspraak zonder zitting en stelt gelet op de beslissing op bezwaar van 23 april 2024  vast dat het college over de periode van 19 maart 2024 tot 23 april 2024 (35 dagen) een bestuurlijke dwangsom is verschuldigd. Gelet op artikel 4:17 van de Awb komt dat neer op een bedrag van € 1.127,-.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het verzet gegrond;</para>
    <para>- bepaalt dat de uitspraak van 10 juli 2024 vervalt, voor zover daarbij de bestuurlijke<?linebreak?>  dwangsom is vastgesteld van € 1.442,-.</para>
    <para>- stelt de door het college te betalen bestuurlijke dwangsom vast op € 1.127,-;</para>
    <para>- laat de uitspraak van 10 juli 2024 voor het overige in stand.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>mr. H. Sabanovic, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 24 november 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De griffier is verhinderd de uitspraak te tekenen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</title>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_3199e075-bc25-45a2-afed-3448c4deaa28" label="1">
    <para> Met geopposeerde wordt bedoeld de partij die geen verzetschrift heeft ingediend.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f05c8b81-e26f-49a5-9b92-8b50ec5ef1f6" label="2">
    <para> Op basis van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>