<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2025:12971</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-07T09:09:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-08-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/10/698316 / FA RK 25-3117</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:12971">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:12971</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-07T09:07:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2025:12971 Rechtbank Rotterdam , 01-08-2025 / C/10/698316 / FA RK 25-3117</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2025:12971:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzoek tot het opleggen van een dwangmiddel voor nakoming zorgregeling is afgewezen. Niet is komen vast te staan dat de zorgregeling stelselmatig is overtreden. De enkele omstandigheid dat de man geklaagd heeft bij de BSO maakt dit oordeel niet anders. Het staat de man gezagsdrager vrij om te verifiëren of zijn kind inderdaad ingeschreven staat op de BSO. </para>
      <para />
      <para>Verzoek vervangende toestemming inschrijving op een andere school is afgewezen. De minderjarige is helemaal ingebed op haar huidige school en ze gaat naar groep 7 waar belangrijke stappen worden gezet richting de middelbare school. De stress bij de vrouw door de grote reisafstand van huis naar de huidige school weegt niet op tegen het belang van de minderjarige bij stabiliteit, vertrouwdheid en continuïteit op haar huidige school. Dat de man eerder wel had ingestemd met de scholenwissel maakt dit oordeel niet anders. Het staat hem vrij daarop terug te komen en zijn visie aan de rechtbank voor te leggen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2025:12971:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank Rotterdam</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team familie</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer / rekestnummer: C/10/698316 / FA RK 25-3117</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beschikking van 1 augustus 2025 over de zorgregeling en de vervangende toestemming voor schoolinschrijving</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [naam vrouw]
        </emphasis>, hierna: de vrouw,</para>
      <para>wonende op een bij de rechtbank bekende locatie, </para>
      <para>advocaat mr. S. Burger te Rotterdam,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>t e g e n</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [naam man]
        </emphasis>, hierna: de man,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] , </para>
      <para>advocaat mr. K. van Doorn te Den Haag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 22 april 2025;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 16 juli 2025.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Buiten de toegestane termijn is het bericht met bijlagen van de vrouw van 21 juli 2025 overgelegd. De rechtbank zal dit stuk buiten beschouwing laten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 22 juli 2025. Daarbij zijn verschenen:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de man, bijgestaan door zijn advocaat, waarbij de man de mondelinge behandeling via een videoverbinding heeft bijgewoond;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A] ;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            [persoon B] , verbonden aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, als informant.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>De jongste twee minderjarigen ( [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ) zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben hier gebruik van gemaakt. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De vaststaande feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Het huwelijk van partijen is op 7 oktober 2020 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Rotterdam in de registers van de burgerlijke stand.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Partijen zijn de ouders van de minderjarigen:</para>
        <para>
          [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 1] 2007 te [geboorteplaats 1] ;</para>
        <para>
          [minderjarige 2] (hierna: [voornaam minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum 2] 2009 te [geboorteplaats 2] ;</para>
        <para>
          [minderjarige 1] (hierna: [voornaam minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum 3] 2014 te [geboorteplaats 2] .</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Het ouderlijk gezag over de minderjarigen wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 6 september 2024 is – voor zover hier van belang – de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken die bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 12 april 2023 was vastgesteld, als volgt gewijzigd:</para>
        <para>- [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] zullen eenmaal per twee weken van woensdag uit school tot</para>
        <para>maandag naar school bij de man zijn, waarbij de wisseling plaatsvindt via school.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zorgregeling [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1]</emphasis>
      </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.1.1.</nr>
        <para>De vrouw verzoekt te bepalen dat de zorgregeling, zoals opgenomen in de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 6 september 2024, tussen de man en [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] dient te worden nageleefd, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag(deel) dat de man zich niet houdt aan de zorgregeling.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.2.</nr>
        <parablock>
          <para>De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt, bij zelfstandig verzoek, wijziging van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 6 september 2024 in die zin dat de daarin bepaalde zorgregeling wordt gewijzigd als volgt:</para>
          <para>- [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verblijven bij de man in de oneven week van maandag na school tot de volgende maandag na school en bij de vrouw in de even week van maandag na school tot de volgende maandag na school, als er op maandag geen school is en ook de regeling voor vakantie- of feestdagen niet van toepassing is, dan geldt als wisselmoment het gebruikelijke tijdstip waarop de school normaal gesproken eindigt.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.3.</nr>
        <para>Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man zijn zelfstandig verzoek ten aanzien van de zorgregeling ingetrokken zodat de rechtbank het verzochte in dit verband zal afwijzen.</para>
        <para />
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.4.</nr>
        <para>Op grond van artikel 1:253a lid 5 BW kan de rechtbank, als één van de partijen dat verzoekt óf ambtshalve, een door de wet toegelaten dwangmiddel opleggen als tussen partijen geen vergelijk tot stand komt en het belang van het kind zich niet verzet tegen oplegging van een dwangmiddel. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.5.</nr>
        <para>De vrouw stelt, kort gezegd, dat de man de zorgregeling uit 2024 stelselmatig overtreedt door deze niet na te komen en zich te bemoeien met de wijze waarop de vrouw invulling geeft aan haar zorgtaken, in het bijzonder de opvang voor [voornaam minderjarige 1] na school. De man betwist niet dat de zorgregeling in het verleden incidenteel anders is uitgevoerd dan bepaald, maar van stelselmatige overtreding daarvan is volgens de man geen sprake. Hij bevestigt verder contact te hebben gehad met de BSO van [voornaam minderjarige 1] . Niet om deze te beëindigen, maar enkel omdat [voornaam minderjarige 1] zonder zijn toestemming was ingeschreven op de BSO. De klacht die hij hierover heeft ingediend is ook gegrond verklaard. De vrouw heeft dit alles niet weersproken, zodat niet is komen vast te staan dat de man de zorgregeling uit 2024 stelselmatig overtreedt. De enkele omstandigheid dat de man geklaagd heeft bij de BSO maakt dit oordeel niet anders. Het staat het hem in zijn hoedanigheid als gezagsdrager vrij om te verifiëren of zijn kind inderdaad ingeschreven staat op de BSO. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.6.</nr>
        <para>De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen reden om een dwangsom te verbinden aan de zorgregeling uit 2024. Het verzoek van de vrouw wordt daarom afgewezen. </para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Vervangende toestemming voor schoolinschrijving [voornaam minderjarige 1]</emphasis>
      </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.2.1.</nr>
        <para>De vrouw verzoekt om vervangende toestemming voor de inschrijving van [voornaam minderjarige 1] op de [naam school 1] te Barendrecht, met ingang van schooljaar 2025/2026.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.2.</nr>
        <para>De man voert gemotiveerd verweer.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.3.</nr>
        <para>Op grond van artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Bij een dergelijke beslissing moeten alle omstandigheden van het geval in acht worden genomen, wat er soms ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde moet zijn bij de afweging van belangen.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.4.</nr>
        <para>De vrouw stelt dat het reizen haar teveel wordt tussen haar woonplaats waar [voornaam minderjarige 1] ook het grootste deel van de tijd woont en Nesselande waar zij op school zit. Bovendien had de man eerder zijn toestemming gegeven voor de scholenwissel van [voornaam minderjarige 1] . Een school in de woonplaats van de vrouw zou voor [voornaam minderjarige 1] ook betekenen dat zij kan aarden in haar nieuwe woonomgeving. De man heeft hiertegenover aangevoerd dat het in het belang van [voornaam minderjarige 1] is dat zij niet van school verandert. De rechtbank volgt de man hierin en overweegt hiertoe het volgende. [voornaam minderjarige 1] zit al een aantal jaren op [naam school 2] , heeft daar ook haar netwerk van vrienden en vriendinnen en zij heeft ook een band opgebouwd met de leerkrachten. Kortom, [voornaam minderjarige 1] is helemaal ingebed op de school waar zij nu op zit. Zij gaat naar groep 7 en in die fase worden, zoals onbestreden gesteld door de man, belangrijke stappen gezet richting de middelbare school. De reisafstand is op dit moment groot en dat geeft de vrouw stress, maar dit weegt naar het oordeel van de rechtbank niet op tegen het belang van [voornaam minderjarige 1] bij stabiliteit, vertrouwdheid en continuïteit. Dit belang is gediend als [voornaam minderjarige 1] op [naam school 2] blijft. Dat de man vorig jaar wel had ingestemd met de scholenwissel maakt dit oordeel niet anders. Het staat hem in het kader van de onderhavige procedure vrij om daarvan terug te komen en zijn visie aan de rechtbank voor te leggen. De vrouw heeft niet gemotiveerd waarom dat niet kan. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.5.</nr>
        <para>Het voorgaande betekent dat, anders dan geadviseerd door de raad, het verzoek van de vrouw om vervangende toestemming voor schoolinschrijving van [voornaam minderjarige 1] wordt afgewezen.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Proceskosten</emphasis>
      </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.3.1.</nr>
        <para>De vrouw verzoekt de man te veroordelen in de proceskosten.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.3.2.</nr>
        <para>De man voert gemotiveerd verweer. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.3.3.</nr>
        <para>Anders dan betoogd door de vrouw is in deze procedure niet komen vast te staan dat de man zijn gezagspositie misbruikt door eigen regels te maken. De rechtbank volgt de vrouw dan ook niet in haar stelling dat zij gedwongen is om procedures te starten. De enkele omstandigheid dat de man zich verzet tegen de scholenwissel maakt, zoals hiervoor overwogen, dit oordeel niet anders. Gelet op de aard van het geschil en de wijze waarop partijen tegenover elkaar staan ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat in zaken tussen ex-partners iedere partij de eigen proceskosten draagt. Dit hangt samen met het karakter van deze procedures, waarin niet het winnen of verliezen centraal staat, maar het vinden van een oplossing die recht doet aan de belangen van alle betrokkenen, in het bijzonder die van het kind. </para>
        <para />
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>wijst alle verzoeken af;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.</para>
      <para />
      <informaltable>
        <tgroup cols="3">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <colspec colname="colC" />
          <tbody>
            <row>
              <entry namest="colA" nameend="colC">
                <para>Deze beschikking is gegeven door mr. S. Wahedi, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van S. Breeman, griffier, op 1 augustus 2025.</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry namest="colA" nameend="colC">
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
      <parablock>
        <para>Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.</para>
        <para>Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>