<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2025:12754</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-11T13:45:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-11-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ROT 23/2217 V</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:12754">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:12754</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-11T13:44:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2025:12754 Rechtbank Rotterdam , 04-11-2025 / ROT 23/2217 V</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2025:12754:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De Dienst Toeslagen komt in verzet tegen de nadere beslistermijn van 2 weken. De geboden termijn is echter in overeenstemming met de rechtspraak van de rechtbank destijds uit april 2023 ook indien wel kennis was genomen van het verweerschrift. daarom was er geen reden om de zaak niet vereenvoudigd af te doen en is het verzet ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2025:12754:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: ROT 23/2217 V</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 november 2025 op het verzet van</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Dienst Toeslagen</title>
    <para>(gemachtigde: [naam gemachtigde] )</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van de rechtbank van 2 augustus 2023 (de uitspraak) in het geding tussen</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [persoon A] ( [persoon A] ), uit [plaats]</title>
    <para>(gemachtigde: mr. C.H. Bijvank)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Dienst Toeslagen</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <para>1. Deze uitspraak op het verzet van de Dienst Toeslagen gaat over de uitspraak waarin de rechtbank het beroep van [persoon A] gegrond heeft verklaard.</para>
    <para />
    <para>2. De Dienst Toeslagen heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel<footnote-ref linkend="_5e2da4c1-4733-4f31-b09d-cb6cb58c4128" /> is dat het beroep kennelijk gegrond is geacht, de Dienst is opgedragen binnen twee weken alsnog een besluit te nemen en verweerder een dwangsom is opgelegd van € 50 voor elke dag dat verweerder de gegeven beslistermijn overschrijdt met een maximum van € 15.000. </para>
    <para />
    <para>4. De Dienst Toeslagen heeft in verzet aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Dienst Toeslagen geen stukken en een verweerschrift heeft ingediend, want dit is gebeurd op 26 april 2023. Verder heeft de Dienst Toeslagen aangevoerd dat de rechtbank na kennisneming van het verweerschrift – waarin de Dienst Toeslagen heeft gewezen op een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 14 april 2023<footnote-ref linkend="_a6cc0823-d769-4056-8b15-78255993fc42" /> die de Dienst een langere beslistermijn heeft vergund – mogelijk tot een andere uitspraak was gekomen en de Dienst Toeslagen een langere nadere beslistermijn zou hebben vergund. </para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank biedt haar verontschuldiging voor het late tijdstip dat zij uitspraak in het verzet doet. </para>
    <para />
    <para>6. In navolging van haar uitspraken van 30 juni 2025 en 4 juli 2025 oordeelt de rechtbank in verzet als volgt.<footnote-ref linkend="_993227df-05a4-48b6-8835-08b1e58ef1b1" /></para>
    <para />
    <para>7. Voorop staat dat de rechtbank uitspraak zonder zitting mag doen als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. Dat was hier het geval. Het verzet ziet uitsluitend op de door de rechtbank geboden nadere beslistermijn als bedoeld in artikel 8:55d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hoewel de Dienst Toeslagen moet worden nagegeven dat het wel een verweerschrift heeft ingediend, maakt dit niet dat de rechtbank indien zij daarvan kennis zou hebben genomen tot een andere uitspraak zou zijn gekomen. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.</para>
    <para />
    <para>8. Het vaststellen van de hoogte van een dwangsom en een nadere beslistermijn zijn een discretionaire bevoegdheid van de rechter. In haar uitspraak van 26 april 2023<footnote-ref linkend="_1d3b68b8-b692-415b-8ed2-60b565f4bd9e" /> heeft een meervoudige kamer van de rechtbank – in afwijking van de door de Dienst Toeslagen genoemde uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 14 april 2023 – haar oude lijn gehandhaafd dat de Dienst Toeslagen binnen een termijn van twaalf weken na de datum van het verweerschrift alsnog een beslissing bekend dient te maken en dat in de situatie dat na het indienen van het verweerschrift tot aan de datum van de uitspraak van de rechtbank meer dan twaalf weken zijn verstreken, de rechtbank als lijn aanhoudt dat zij ondanks de bijzondere omstandigheden, geen aanleiding ziet om op grond van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb af te wijken van de standaardtermijn van twee weken. Indien de rechtbank kennis zou hebben genomen van het verweerschrift van 26 april 2023, dan zou zij de Dienst Toeslagen na de uitspraak geen langere termijn hebben vergund dan zij heeft gedaan. </para>
    <para />
    <para>9. De verzetrechter voegt hier aan toe dat de rechtbank geen acht heeft kunnen slaan op ontwikkelingen na haar uitspraak, zoals de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 augustus 2023<footnote-ref linkend="_d62f4292-9036-473e-b886-1df7c44d54ed" /> en van 26 maart 2025,<footnote-ref linkend="_bce2f04c-e3a1-4425-9865-9a5b4d0452da" /> terwijl daar niet uit volgt dat de rechtbank destijds niet zonder zitting tot haar uitspraak heeft kunnen komen.</para>
    <para />
    <para>10. Gelet op het voorgaande zal het verzet ongegrond worden verklaard.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>11. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.</para>
    <para />
    <para>12. [persoon A] heeft in haar verweer in verzet verzocht om een proceskostenveroordeling van de Dienst Toeslagen voor de kosten die zij heeft gemaakt in verzet. Gelet op het besluit proceskosten bestuursrecht bestaat daarvoor geen aanleiding, want in de bijlage bij dit besluit is geen puntentoedeling opgenomen voor het schriftelijk voeren van verweer in verzet.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. R. Stijnen, griffier.</para>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</title>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_5e2da4c1-4733-4f31-b09d-cb6cb58c4128" label="1">
    <para> Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a6cc0823-d769-4056-8b15-78255993fc42" label="2">
    <para> ECLI:NL:RBMNE:2023:1702.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_993227df-05a4-48b6-8835-08b1e58ef1b1" label="3">
    <para> ECLI:NL:RBROT:2025:7534 en ECLI:NL:RBROT:2025:7831.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1d3b68b8-b692-415b-8ed2-60b565f4bd9e" label="4">
    <para> ECLI:NL:RBROT:2023:3474.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d62f4292-9036-473e-b886-1df7c44d54ed" label="5">
    <para> ECLI:NL:RVS:2023:3208 en ECLI:NL:RVS:2023:3209.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bce2f04c-e3a1-4425-9865-9a5b4d0452da" label="6">
    <para> ECLI:NL:RVS:2025:1301.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>