<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2025:12747</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-11T10:52:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-10-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ROT 25/7764</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:12747">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:12747</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-11T10:52:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2025:12747 Rechtbank Rotterdam , 30-10-2025 / ROT 25/7764</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2025:12747:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Voorlopige voorziening; afwijzing aanvraag parkeervergunning bewoner; spoedeisend belang onvoldoende aannemelijk gemaakt; verzoek afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2025:12747:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: ROT 25/7764</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 oktober 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. B. Özates),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam </bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. S. Ercan).</para>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Samenvatting</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker voor een parkeervergunning bewoner. Verzoeker is het niet met de afwijzing eens. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af omdat het spoedeisend belang onvoldoende aannemelijk is gemaakt. Ook is het bestreden besluit niet evident onrechtmatig. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een parkeervergunning bewoner. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 28 augustus 2025 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de voorzieningenrechter</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat het in deze zaak om?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Verzoeker heeft op 28 augustus 2025 een aanvraag ingediend voor een parkeervergunning bewoner. Met het besluit van eveneens 28 augustus 2025 heeft het college deze aanvraag afgewezen, omdat volgens de gegevens van het college een bijbehorende parkeervoorziening onderdeel uitmaakt van het pand van verzoeker, dan wel van een gebouwencomplex waarbinnen het pand van verzoeker is gevestigd. Hierdoor voldoet verzoeker niet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een parkeervergunning.</para>
    <para />
    <para>3. Verzoeker is het niet eens met de afwijzing. Verzoeker kan namelijk geen gebruik meer maken van de parkeervoorzieningen behorende bij het pand waar hij woonachtig is. Verzoeker kon eerder op basis van een overeenkomst met de gemeente parkeren in de wijkstallingsgarage Wolphaertsbocht. In een brief van 26 augustus 2025 heeft de manager parkeren van de gemeente de overeenkomst tot ingebruikgeving opgezegd per 1 november 2025 omdat het voertuig van verzoeker te groot is voor het parkeervak. Verzoeker wil met het verzoek om voorlopige voorziening bereiken dat aan hem met ingang van 1 november 2025 een parkeervergunning bewoner wordt afgegeven in afwachting van het besluit op bezwaar.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Heeft verzoeker een spoedeisend belang?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Verzoeker voert aan dat zijn spoedeisend belang is gelegen in het feit dat hij vanaf 1 november 2025 op straat zal moeten parkeren tegen het tarief van € 2,16 (tussen 09:00 en 23:00 uur). Deze oplopende kosten kan verzoeker zich niet permitteren.</para>
    <para />
    <para>5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat zij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft. </para>
    <para />
    <para>6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat wat door verzoeker naar voren is gebracht niet voldoende is om een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening aan te nemen en dat hij de beslissing op zijn bezwaar niet kan afwachten. Het gaat verzoeker om de parkeerkosten die hij zal moeten betalen als hij geen parkeervergunning krijgt en daarmee om een financieel belang. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat die kosten voor verzoeker kunnen oplopen, neemt zij mee dat verzoeker op de zitting heeft verklaard dat hij vier dagen per week werkzaam is als bouwinspecteur voor de gemeente Rotterdam en de overige drie dagen als zelfstandig aannemer werkt. De voorzieningenrechter acht het daarom niet aannemelijk dat verzoeker elke dag tussen 09:00 en 23:00 uur € 2,16 per uur parkeerkosten zal moeten betalen. Verzoeker heeft onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij door de parkeerkosten die hij zal moeten maken als hij thuis is of thuis werkt in een financiële noodsituatie zal komen te verkeren. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Is het besluit evident onrechtmatig?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat het spoedeisend belang ontbreekt, kan de door verzoeker gevraagde voorziening alleen worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek duidelijk is dat het besluit niet juist is. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat zich deze situatie hier voordoet. Verzoeker komt op basis van de vereisten uit het Uitvoeringsbesluit Parkeren Rotterdam 2025 niet in aanmerking voor een parkeervergunning bewoner, nu er een parkeervoorziening hoort bij de woning waar verzoeker woont. De omstandigheid dat de gemeente in deze zaak zowel civiel- als publiekrechtelijk handelt, geeft evenmin aanleiding om een evidente onrechtmatigheid van het besluit aan te nemen. </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het college vooralsnog geen parkeervergunning bewoner aan verzoeker hoeft te verstrekken. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>voorzieningenrechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</title>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>