<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2025:12000</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-17T16:54:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-09-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11706011 CV EXPL 25-11917</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:12000">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:12000</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-17T16:54:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2025:12000 Rechtbank Rotterdam , 05-09-2025 / 11706011 CV EXPL 25-11917</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2025:12000:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vordering tot betaling huurachterstand. De kantonrechter is van oordeel dat gedaagde, ongeacht of hij zelf in de woning heeft gewoond, hoofdelijk aansprakelijk is voor de ontstane huurachterstand. De aan het huurderschap verbonden rechtsgevolgen eindigen niet bij het opgeven van het hoofdverblijf, maar door beëindiging van de huur. Niet is gesteld of gebleken dat gedaagde de huurovereenkomst heeft opgezegd. Vordering van eiseres wordt toegewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2025:12000:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Rotterdam</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 11706011 CV EXPL 25-11917</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>datum uitspraak: 5 september 2025</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van de kantonrechter</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiseres] , </emphasis>
      </para>
      <para>woonplaats: [plaats 1] ,</para>
      <para>eiseres, </para>
      <para>gemachtigde: mr. M.P.A. Knol en D.J. Vermeulen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [gedaagde sub 1] ,</title>
    <parablock>
      <para>woonplaats: zonder bekende woonplaats in of buiten Nederland,</para>
      <para>gedaagde sub 1,</para>
      <para>die niet is verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr> [gedaagde sub 2] , </title>
    <parablock>
      <para>woonplaats: [plaats 2] , [gemeente] , </para>
      <para>gedaagde sub 2, </para>
      <para>die zelf procedeert. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde sub 1] ’ respectievelijk ‘ [gedaagde sub 2] ’ genoemd. Gedaagden zullen gezamenlijk als ‘ [gedaagde c.s.] ’ worden aangeduid.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding van 4 maart 2025, met bijlagen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de aantekeningen van de griffier van het mondelinge antwoord van [gedaagde sub 2] ;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de repliek;</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>
        [gedaagde c.s.] hebben niet meer gereageerd op de repliek van [eiseres] , ondanks dat ze daarvoor wel de gelegenheid hebben gehad. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is de kern? </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [gedaagde c.s.] huurden vanaf 22 december 2022 tot medio november 2024 de woning aan [adres] te [plaats 3] van [eiseres] . De huur bedroeg € 1.500,- per maand. Volgens [eiseres] hebben [gedaagde c.s.] een huurachterstand laten ontstaan van € 6.000,-. [eiseres] eist in deze procedure dat [gedaagde c.s.] die achterstand betalen, samen met de wettelijke rente en een vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [gedaagde sub 2] heeft aangegeven dat de vordering klopt. Hij heeft uitgelegd dat hij ongeveer drie jaar geleden de woning samen met [gedaagde sub 1] heeft gehuurd. De huurovereenkomst is toen automatisch verlengd, daar was hij niet van op de hoogte. Hij geeft aan nooit in de woning te hebben gewoond, aangezien hij een eigen woning heeft in [plaats 4] sinds 2005. Hij heeft [gedaagde sub 1] enkel geholpen met het vinden van een huurwoning door de huurovereenkomst te ondertekenen samen met haar. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De kantonrechter wijst de vordering van [eiseres] toe. Hierna zal worden uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit besluit is gekomen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Vonnis op tegenspraak </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Omdat [gedaagde sub 1] niet in het geding is verschenen, heeft de kantonrechter verstek tegen haar verleend. Omdat [gedaagde sub 2] wel is verschenen, wordt op grond van artikel 140 lid 3 Rv één vonnis gewezen dat voor alle partijen als een vonnis op tegenspraak geldt. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [gedaagde sub 2] is als medehuurder aansprakelijk voor de huurachterstand</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>
        [gedaagde sub 2] heeft in zijn antwoord verklaard dat hij nooit in de woning heeft gewoond. Hij stelt dat hij enkel [gedaagde sub 1] heeft willen helpen door samen met haar de huurovereenkomst te ondertekenen, omdat zij zelf moeilijk een woning kon krijgen. Volgens [gedaagde sub 2] is hij in de maanden waarop de huurachterstand betrekking heeft ook niet in de woning geweest. Daarnaast geeft hij dat hij nooit de huur heeft betaald; dit werd steeds door [gedaagde sub 1] gedaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde sub 2] , ongeacht of hij zelf in de woning heeft gewoond, hoofdelijk aansprakelijk is voor de ontstane huurachterstand. [gedaagde sub 2] heeft zijn positie van contractueel medehuurder verkregen door samen met [gedaagde sub 1] de huurovereenkomst van 22 december 2022 te tekenen. De aan het huurderschap verbonden rechtsgevolgen eindigen niet bij het opgeven van het hoofdverblijf, maar door beëindiging van de huur. Niet is gesteld of gebleken dat [gedaagde sub 2] de huurovereenkomst heeft opgezegd. De kantonrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat [gedaagde sub 2] samen met [gedaagde sub 1] hoofdelijk aansprakelijk is voor de verplichtingen die voortvloeien uit de huurovereenkomst met [eiseres] . </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [gedaagde c.s.] worden veroordeeld tot hoofdelijke betaling van € 6.000,-</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>Zowel het bestaan als de hoogte van de huurachterstand zijn door [gedaagde c.s.] niet betwist. [gedaagde c.s.] worden daarom veroordeeld om de openstaande huurachterstand van € 6.000,- te betalen aan [eiseres] . </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [gedaagde c.s.] moeten incassokosten van € 695,75 betalen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>De incassokosten van € 695,75 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW). </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [gedaagde c.s.] moeten rente betalen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>De rente wordt toegewezen, omdat [eiseres] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde c.s.] dat niet hebben betwist. De rente bedraagt, zoals onbetwist door [eiseres] is gesteld, berekend tot 4 maart 2025 € 179,33. </para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [gedaagde c.s.] moeten de proceskosten betalen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <parablock>
        <para>De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde c.s.] , omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgen (artikel 237 Rv). Zij zijn daarvoor hoofdelijk aansprakelijk (artikel 6:7 BW).<footnote-ref linkend="_7f75bd41-f79e-4e20-a62d-e9778c3a89b1" />De kantonrechter begroot de kosten die aan [eiseres] betaald moeten worden op € 288,94 aan dagvaardingskosten, € 257,- aan griffierecht, € 678,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 339,-) en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal </para>
        <para>€ 1.358,94. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11.</nr>
      <para>Voor € 1.070,- van dit bedrag zijn [gedaagde c.s.] hoofdelijk aansprakelijk. Omdat [gedaagde c.s.] ieder hun eigen dagvaarding hebben ontvangen, zullen de dagvaardingskosten in tweeën worden gesplitst. [gedaagde c.s.] worden ieder veroordeeld in de kosten van hun eigen dagvaarding ter hoogte van € 144,47. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.12.</nr>
      <para>Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagde c.s.] daar geen bezwaar tegen hebben gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para>De kantonrechter:</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde c.s.] hoofdelijk om aan [eiseres] te betalen € 6.875,08 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 6.000,- vanaf 4 maart 2025 tot de dag dat volledig is betaald;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde sub 2] om aan [eiseres] te betalen € 144,47 aan dagvaardingskosten;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan [eiseres] te betalen € 144,47 aan dagvaardingskosten;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde c.s.] hoofdelijk in de resterende proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 1.070,-; </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. I.W.M. Laurijssens en in het openbaar uitgesproken.</para>
        <para>64362</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_7f75bd41-f79e-4e20-a62d-e9778c3a89b1" label="1">
    <para> Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1942</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>