<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2025:11858</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-13T15:30:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-04-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10/289110-24</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:11858">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:11858</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-13T15:25:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2025:11858 Rechtbank Rotterdam , 22-04-2025 / 10/289110-24</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2025:11858:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Veroordeling voor opzettelijke brandstichting tot een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen waarvan 169 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en bijzondere voorwaarden. Dadelijk uitvoerbaarheid van het reclasseringstoezicht en de bijzondere voorwaarden. Partiële vrijspraak, objectief bewijs ontbreekt voor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. Verdachte jong en verminderd toerekeningsvatbaar, gaf na zijn aanhouding direct openheid van zaken.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2025:11858:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank Rotterdam</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team straf 3</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 10/289110-24</para>
      <para>Datum uitspraak: 22 april 2025</para>
      <para>Tegenspraak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verdachte] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,</para>
      <para>verblijvende op het adres:</para>
      <para>
        [adres 1] , [postcode] te [woonplaats]</para>
      <para>raadsman mr. G.A. Dorsman, advocaat te Rotterdam.</para>
    </parablock>
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Onderzoek op de terechtzitting</title>
    <para>Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 8 april 2025.</para>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Tenlastelegging</title>
    <para>Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.</para>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Eis officier van justitie</title>
    <para>De officier van justitie mr. C.T. den Uil heeft gevorderd:</para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>bewezenverklaring van het ten laste gelegde;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar met bijzondere voorwaarden zoals deze zijn genoemd in het rapport van Reclassering Nederland van 25 maart 2025;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>oplegging van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr).</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Waardering van het bewijs</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Bewijswaardering</emphasis>
      </para>
      <paragroup>
        <nr>4.1.1.</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Standpunt officier van justitie</emphasis>
          </para>
          <para>Aangevoerd is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan brandstichting in zijn woning waardoor er gevaar ontstond voor andere personen en goederen in omringende portiekwoningen. Uit de verklaring van [persoon A] , werkzaam als woningregisseuse bij stichting Woonplus, blijkt dat ten tijde van de brand bewoonster [persoon B] aanwezig was in haar woning die direct onder woning van de verdachte is gelegen. Het was ook een tijdstip, zaterdagmiddag 15.00 uur waarbij meerdere buren thuis hadden kunnen zijn.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.1.2</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Standpunt verdediging</emphasis>
          </para>
          <para>Uit een eerder buurtonderzoek door de politie bleek dat de meeste bewoners ten tijde van de brandstichting niet thuis waren. Er is geen verklaring van bewoonster [persoon B] in het procesdossier, enkel een de-audituverklaring van [persoon A] . Hiermee wordt niet voldaan aan de criteria van de Hoge Raad en kan niet worden vastgesteld dat door de brandstichting levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was. De verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder het tweede gedachte streepje ten laste gelegde levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel.</para>
        </parablock>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.1.3</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Beoordeling</emphasis>
          </para>
          <para>Op 7 september 2024 heeft er een brand gewoed in een woning aan het [adres 2] te Schiedam. Er kwam zwarte rook uit het raam van de portiekwoning op de derde etage. In de woning werd niemand aangetroffen. Door de ter plaatse aangekomen brandweer worden twee gescheiden brandhaarden in de woning aangetroffen: een op het bed in de slaapkamer, en een in de bergingskast. De afstand tussen deze brandhaarden was ongeveer 3 meter. Uit forensisch onderzoek blijkt verder dat de brand in beide ruimtes is aangestoken door het inbrengen of achterlaten van open vuur in combinatie met een brandbare vloeistof.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De verdachte is huurder van de woning en meldt zich de volgende dag, op 8 september 2024, bij de politie waarna hij wordt aangehouden. De verdachte heeft bekend dat hij uit een schreeuw om aandacht zelf brand heeft gesticht in zijn woning. De verdachte heeft verklaard dat hij zowel op het bed in zijn slaapkamer alsook in de bergingskast aanstekervloeistof heeft gesprenkeld, die hij vervolgens heeft aangestoken, hetgeen ook overeenkomt met de bevindingen uit het forensische onderzoek. Op de foto’s in het procesdossier is te zien dat de woning door de brand is beschadigd en dat er goederen in de woning zijn verbrand. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De brandstichting vond plaats in een woning op de derde etage die onderdeel uitmaakt van een complex van naast en boven elkaar gelegen portiekwoningen. Blijkens het forensisch onderzoek had zonder de inzet van de brandweer de brand zich verder kunnen ontwikkelen waarbij grotere schade aan het appartementencomplex te verwachten was geweest. Immers, de brand had zich door de aanwezigheid van genoeg vuurbelasting in de woning van de verdachte kunnen uitbreiden tot een uitslaande brand. Omdat bij niet tijdige ontdekking het vuur zou zijn overgeslagen naar de omliggende portiekwoningen, kan naar het oordeel van de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen voldoende worden vastgesteld dat algemeen gevaar voor goederen te duchten was. Door de brand te stichten zoals hij gedaan heeft, heeft verdachte naar algemene ervaringsregels voorzienbaar gevaar voor zijn woning, de goederen die zich in de woning bevonden en van de omliggende woningen met daarin goederen veroorzaakt.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten was. Voor het antwoord op deze vraag is volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad van belang dat het levensgevaar (en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel) ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest ( HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG1653). Dat de dader zelf dat gevaar wellicht niet heeft voorzien, is in dat verband niet van belang. Van de vereiste voorzienbaarheid zal in de regel geen sprake zijn indien de bewoner(s) zich ten tijde van de brandstichting niet in de woning bevond(en).</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van [persoon A] van 4 april 2025 onvoldoende is voor het oordeel dat er levensgevaar voor omwonenden, dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was. Mevrouw [persoon A] heeft verklaard dat zij de broer van de bewoonster van het [adres 3] had gesproken. Hij zou hebben verklaard dat zijn zus, [persoon B] thuis was ten tijde van de brand en dat zij door de brandweer uit haar woning is gehaald. In het procesdossier bevindt zich echter geen verklaring van bewoonster [persoon B] zelf, dan wel een verklaring van de brandweerlieden die ter plaatse zijn gekomen en haar uit haar woning hebben gehaald. Ook uit het buurtonderzoek dat ruim zes maanden na de brandstichting door de politie is uitgevoerd, is niet gebleken dat de buren, wonende aan de portiekwoningen [straatnaam] 47, 49, 53, 55 en 57, thuis waren ten tijde van de brandstichting.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Op grond van het dossier kan dus niet worden vastgesteld dat ten tijde van de brand bewoners in de omliggende woningen aanwezig waren. De conclusie van de forensisch onderzoeker dat er sprake was van gemeen gevaar voor personen wordt dan ook onvoldoende gesteund door feitelijke bevindingen. Dit betekent dat op grond van de bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van te duchten levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. Objectief bewijs hiervoor ontbreekt in het dossier. De verdachte zal derhalve van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.</para>
        </parablock>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.1.4</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
          </para>
          <para>Het ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen in die zin dat er gemeen gevaar voor goederen te duchten was.</para>
        </parablock>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Bewezenverklaring</emphasis>
        </para>
        <para>In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>hij, op <emphasis role="strike-through">of omstreeks </emphasis>7 september 2024 te Schiedam, <emphasis role="strike-through">althans in Nederland,</emphasis></para>
        <para>opzettelijk brand heeft gesticht in een woning gelegen aan <emphasis role="italic">het</emphasis> [adres 2]</para>
        <para>door zippovloeistof/aanstekervloeistof, <emphasis role="strike-through">althans explosieve/brandbare substantie,</emphasis></para>
        <para>tot ontsteking en<emphasis role="strike-through">/of </emphasis>ontbranding te brengen in die woning ten gevolge waarvan een <emphasis role="strike-through">ontploffing heeft plaatsgevonden en/of</emphasis> brand is ontstaan en<emphasis role="strike-through">/of</emphasis> die woning en<emphasis role="strike-through">/of</emphasis> goederen in die woning geheel of gedeeltelijk <emphasis role="strike-through">is/</emphasis>zijn verbrand en<emphasis role="strike-through">/of </emphasis>beschadigd, terwijl daarvan:</para>
      </parablock>
      <para>- gemeen gevaar voor die woning en<emphasis role="strike-through">/of</emphasis> omliggende woningen en<emphasis role="strike-through">/of</emphasis> goederen in die</para>
      <parablock>
        <para>woning en<emphasis role="strike-through">/of</emphasis> goederen in omliggende woningen, in elk geval gemeen gevaar voor</para>
        <para>goederen <emphasis role="strike-through">en/of</emphasis></para>
      </parablock>
      <para>
        <emphasis role="strike-through">- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in omliggende</emphasis>
      </para>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="strike-through">woningen aanwezige personen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="strike-through">lichamelijk letsel,</emphasis> te duchten was;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in cursief verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Strafbaarheid feit</title>
    <para>Het bewezen feit levert op: </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het feit is dus strafbaar.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Strafbaarheid verdachte</title>
    <para>Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdachte is dus strafbaar.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>7</nr>Motivering straf </title>
    <paragroup>
      <nr>7.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Algemene overweging</emphasis>
        </para>
        <para>De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Feit waarop de straf is gebaseerd</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De verdachte heeft zich op 7 september 2024 schuldig gemaakt aan brandstichting in zijn huurwoning. Als roep om aandacht heeft hij met aanstekervloeistof zijn matras en bergingskast in brand gestoken. Hij heeft daarbij echter geen oog gehad voor de mogelijke gevaren voor de omliggende woningen en goederen. Dit is een zeer ernstig feit, vanwege de zeer gevaarlijke situatie die de verdachte daarmee in het leven heeft geroepen. Er bestond namelijk een reële kans dat deze brand zich verder zou ontwikkelen en over zou slaan naar de omliggende woningen in hetappartementencomplex. Dat de brandschade beperkt is gebleven tot schade aan de huurwoning en goederen van de verdachte, is niet aan het gedrag van verdachte te danken geweest.</para>
        <para>Door de brand is schade veroorzaakt aan de woning die in eigendom is van Stichting Woonplus te Schiedam. Met zijn gedrag heeft verdachte tevens aangetoond geen respect te hebben voor andermans eigendommen. Daarnaast zorgt brandstichting in een woonwijk in de directe nabijheid van woningen voor gevoelens van onrust, angst en onveiligheid in die woonwijk in het bijzonder en in de samenleving in het algemeen. Het is een feit van algemene bekendheid dat vuur onvoorspelbaar is en zich zeer snel kan verspreiden als het niet tijdig wordt geblust. De rechtbank neemt de verdachte dit alles zeer kwalijk.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Persoonlijke omstandigheden van de verdachte</emphasis>
      </para>
      <paragroup>
        <nr>7.3.3</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Strafblad</emphasis>
          </para>
          <para>De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 18 maart 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.</para>
        </parablock>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>7.3.4</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Rapportages </emphasis>
          </para>
          <para>Stichting Verslavingsreclassering GGZ Fivoor heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 25 maart 2025. Dit rapport houdt het volgende in.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Uit het onderzoek van de reclassering komen duidelijke aanwijzingen voor een gebrekkige emotieregulatie en gebrekkige vaardigheden in het oplossen van (interpersoonlijke) problemen naar voren. Er is op diverse leefgebieden geen sprake van stabiliteit. Sinds het ten laste gelegde feit beschikt de verdachte niet over vaste huisvesting, heeft hij geen stabiele dagbesteding en ook geen inkomen. Ook is er sprake van dagelijks cannabisgebruik. Indien er geen behandeling plaatsvindt, wordt het risico op recidive hoog ingeschat. Het risico op onttrekken aan de voorwaarden wordt laag ingeschat. De verdachte is bereid zich aan de voorwaarden te houden. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met reclasseringstoezicht en de volgende bijzondere voorwaarden: de meldplicht, opname in een zorginstelling (klinische behandeling), ambulante behandeling, begeleid wonen/maatschappelijk opvang, het meewerken aan middelencontrole, het verkrijgen van dagbesteding en inzage geven in financiën. Om de verdachte voor langere duur te kunnen begeleiden en monitoren wordt tevens de oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel geadviseerd.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Psychiatrisch onderzoek</emphasis>
          </para>
          <para>Psychiater drs. [persoon C] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 24 februari 2025. Dit rapport houdt het volgende in.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Bij de verdachte is sprake van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis die ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig waren. De verdachte is vanuit zijn persoonlijkheidsstoornis makkelijker in staat om over te gaan tot destructief gedrag waarbij hij minder waarde hecht aan wet- en regelgeving, sociale normen en de veiligheid van omwonenden en eigendommen van anderen. Er zijn geen aanwijzingen voor significante beperkingen in de wils- of handelsvrijheid van de verdachte. Er worden geen redenen gezien om het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen. Bij het volledig wegvallen van zorg, begeleiding en toezicht wordt het risico op recidive matig verhoogd ingeschat. De onverantwoorde (antisociale) houding van de verdachte maakt dat hij slechts in beperkte mate in staat is en bereid zal zijn om zelfstandig op een adequate wijze verandering aan te brengen in stresserende omstandigheden. Dit zal na verloop van tijd bij de verdachte opnieuw leiden tot een geleidelijke opbouw van frustraties, waardoor het risico op nieuw agressief gedrag verder oploopt. Het is wenselijk dat het cannabisgebruik van de verdachte vermindert dan wel stopt aangezien het een negatieve bijdrage levert aan de financiële problemen en een mogelijk negatief effect zal hebben op het professionele functioneren. Geadviseerd wordt om binnen een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden de verdachte een klinische behandeling aan te bieden gericht op de persoonlijkheidsstoornis en stoornis in het gebruik van cannabis waarbij ook voldoende aandacht is voor de risico verhogende omstandigheden zoals de financiële problemen, huisvestingsproblemen en het gebrek aan werk/stabiel inkomen. Vanuit deze klinische setting dient te worden toegewerkt naar een ambulante setting. De verwachting is dat de verdachte nog langere tijd begeleiding en ondersteuning nodig zal hebben bij de alledaagse zaken, mogelijk langer dan de proeftijd toelaat. Derhalve wordt geadviseerd om tevens een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen. Zodoende zou ook langdurige begeleiding geborgd kunnen worden.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Psychologisch onderzoek</emphasis>
          </para>
          <para>Psycholoog [persoon D] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 27 februari 2025. Dit rapport houdt het volgende in.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Bij de verdachte is sprake van een posttraumatische stress-stoornis (ptss), een ‘andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale, paranoïde en schizoïde trekken’ en een ernstige stoornis in cannabisgebruik. Deze stoornissen waren ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig. Geadviseerd wordt om het ten laste gelegde de verdachte in verminderde mate toe te rekenen, omdat er sprake is van doorwerking van posttraumatische stressstoornis en de paranoïde en schizoïde trekken in aanloop tot en ten tijde van het ten laste gelegde. Er was hierdoor sprake van verminderde gedragskeuzes en een verminderd vermogen tot sturing van eigen gedrag. De verdachte heeft geen woning, werk of dagbesteding. Er is sprake van schulden en daarnaast is er nauwelijks sprake van een steunend netwerk. De kans op recidive van een nieuw geweldsdelict wordt bij het onbehandeld blijven van de problematiek en zonder hulp bij de verschillende levensgebieden als hoog ingeschat. Om het risico op een nieuw geweldsdelict terug te dringen is het nodig dat de verdachte behandeld wordt voor zijn ptss. Tevens zal de verdachte moeten leren hoe hij emoties als boosheid op een gezondere manier kan laten afvloeien dan deze te vermijden en te verdringen. Ook zal hij abstinent moeten worden van cannabis aangezien dit een ontremmend effect heeft en de kans op een agressieve ontregeling laat toenemen. Daarnaast is het van belang dat de verdachte langdurige begeleiding krijgt bij het op orde krijgen van huisvesting, financiën, werk en/of dagbesteding. Gezien de complexiteit van het beeld en de intensiteit van behandeling die nodig is om voldoende behandeleffect te sorteren wordt een klinische setting geadviseerd. Vanuit daar kan verdere ambulantisering en resocialisatie plaatsvinden. Een behandeling in het kader van (een) bijzondere voorwaarde(n) bij een (deels) voorwaardelijk strafdeel is het best passend. Omdat er sprake is van een noodzaak tot een intensieve en langdurige behandeling wordt tevens geadviseerd een Gedragsbeïnvloedende en Vrijheidsbeperkende Maatregel op te leggen.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank heeft acht geslagen op bovengenoemde rapporten en volgt de deskundigen in hun conclusies dat bij de verdachte tijdens het begaan van de brandstichting stoornissen aanwezig waren en dat de verdachte het delict heeft gepleegd onder invloed van die stoornissen. Op grond van het voorgaande, in combinatie met het verhandelde ter terechtzitting, waar de rechtbank inzicht heeft gekregen in de persoon van de verdachte, is de rechtbank van oordeel dat het bewezenverklaarde feit in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend door de ten tijde van het plegen van dat feit aanwezige psychische stoornissen.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.4</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Conclusies van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para>Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank komt daarbij tot oplegging van een lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat zij de verdachte partieel heeft vrijgesproken van het ten laste gelegde levensgevaar en/of gevaar voor zware mishandeling. De rechtbank acht daarnaast – gezien de jonge leeftijd – het belang van behandeling van de problematiek van de verdachte, groter dan het belang van een langdurig onvoorwaardelijke detentie. Voorts heeft de rechtbank in het voordeel van de verdachte in de straftoemeting betrokken dat de verdachte na zijn aanhouding direct openheid van zaken heeft gegeven en verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen, hetgeen ook blijkt uit de ter zitting overgelegde overeengekomen schriftelijke schikking tussen de verdachte en Stichting Woonplus met betrekking tot vergoeding van de schade aan de huurwoning en de betaling van de huurachterstand.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Omdat zowel de psychiater, de psycholoog als de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk achten, zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. De rechtbank vindt een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden waarvan 169 dagen voorwaardelijk, passend en geboden, zodat de verdachte na aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht (191 dagen), niet terug de gevangenis in hoeft. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Dadelijke uitvoerbaarheid bijzondere voorwaarden</emphasis>
        </para>
        <para>De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf waardoor de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar wordt gebracht, te weten brandstichting. Gelet op de ernst van het feit en het ingeschatte recidiverisico, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Verder blijkt uit de rapportages dat de verdachte naar alle waarschijnlijkheid geruime tijd behandeld zal moeten worden voor zijn problematiek, zodat hij niet opnieuw vervalt in delictgedrag. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14d Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn. De rechtbank ziet in het voorgaande ook aanleiding om aan de gestelde algemene en bijzondere voorwaarden een proeftijd van drie jaren te verbinden.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z Sr</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank zal, anders dan door de officier van justitie is geëist, geen gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr opleggen, omdat zij toepassing van deze maatregel niet mogelijk en overigens ook niet passend acht in deze zaak. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het doel en de strekking van deze maatregel is om de samenleving te beschermen tegen daders van zware geweldsdelicten en zedendelicten en ervoor te zorgen dat delinquenten met een hoog recidiverisico met het oog op de veiligheid van de samenleving langdurig – en indien noodzakelijk zelfs levenslang – onder toezicht kunnen blijven staan teneinde dreigende recidive te signaleren. Van dergelijke feiten is hier geen sprake, aangezien de verdachte wordt veroordeeld voor een brandstichting met gemeen gevaar voor goederen. Daarnaast is er geen sprake van recidive van brandstichting en heeft de verdachte zich bereid verklaard tot naleving van de bijzondere voorwaarden en open te staan voor behandeling en begeleiding.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Toepasselijke wettelijke voorschriften</title>
    <para>Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 157 van het Wetboek van Strafrecht.</para>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>9</nr>Bijlagen</title>
    <para>De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.</para>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>10</nr>Beslissing</title>
    <para>De rechtbank:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart de verdachte strafbaar;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt de verdachte tot een <emphasis role="bold">gevangenisstraf voor de duur van 360 (driehonderd zestig) dagen</emphasis>, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot <emphasis role="bold">169 (honderd negenenzestig) dagen</emphasis> niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verbindt hieraan een <emphasis role="bold">proeftijd</emphasis>, die wordt gesteld op <emphasis role="bold">3 (drie) jaren</emphasis>;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>stelt als algemene voorwaarde:</para>
    </parablock>
    <para>- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>stelt als bijzondere voorwaarden:</para>
    </parablock>
    <para>1. de veroordeelde zal zich melden bij Stichting Verslavingsreclassering GGZ, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;</para>
    <para>2. de veroordeelde zal zich voor behandeling van zijn problematiek klinisch laten opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname duurt een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan hieronder vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Indien de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;</para>
    <para>3. de veroordeelde zal zich onder ambulante behandeling stellen van een nader door de reclassering te bepalen zorgverlener voor zijn problematiek zolang de reclassering dit noodzakelijk vindt gedurende de gehele proeftijd, of zoveel korter als de reclassering dit nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan hieronder vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;</para>
    <para>4. de veroordeelde werkt mee aan controle van het gebruik van drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd;</para>
    <para>5. de veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van (on)betaald werk, met een vast structuur;</para>
    <para>6. de veroordeelde geeft inzicht in zijn financiën </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:</para>
    </parablock>
    <para>- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;</para>
    <para>- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>beveelt dat de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. mr. A.M.H. Geerars, voorzitter,</para>
      <para>en mrs. N.M. Ketelaar en J.A. Terstegge, rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. mr. N. Jallal, griffier,</para>
      <para>en uitgesproken op de openbare terechtzitting op 22 april 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier en de oudste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bijlage I </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Tekst tenlastelegging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hij, op of omstreeks 7 september 2024 te Schiedam, althans in Nederland,</para>
      <para>opzettelijk brand heeft gesticht in een woning gelegen aan de [adres 2]</para>
      <para>door zippovloeistof/aanstekervloeistof, althans explosieve/brandbare substantie,</para>
      <para>tot ontsteking en/of ontbranding te brengen in die woning ten gevolge waarvan een ontploffing heeft plaatsgevonden en/of brand is ontstaan en/of die woning en/of goederen in die woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand en/of beschadigd, terwijl daarvan:</para>
    </parablock>
    <para>- gemeen gevaar voor die woning en/of omliggende woningen en/of goederen in die</para>
    <parablock>
      <para>woning en/of goederen in omliggende woningen, in elk geval gemeen gevaar voor</para>
      <para>goederen en/of</para>
    </parablock>
    <para>- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in omliggende</para>
    <parablock>
      <para>woningen aanwezige personen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar</para>
      <para>lichamelijk letsel, te duchten was;</para>
      <para>( art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>