<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2025:11584</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-03T11:55:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-04-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">FT RK 24/1273</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_insolventierecht">Civiel recht; Insolventierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001860&amp;artikel=287a&amp;g=2019-01-01">Faillissementswet 287a</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:11584">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:11584</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-03T11:55:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2025:11584 Rechtbank Rotterdam , 03-04-2025 / FT RK 24/1273</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2025:11584:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dwangakkoord afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden vastgesteld dat het aanbod goed en controleerbaar is gedocumenteerd.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2025:11584:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank Rotterdam </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team insolventie </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [rekestnummer]
      </para>
      <para>uitspraakdatum: 3 april 2025</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">afwijzen gedwongen schuldregeling </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoeker]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [adres]</para>
      <para>
        [postcode]  [plaats] ,</para>
      <para>verzoeker.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft op 13 september 2024, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a lid 1 Faillissementswet ingediend om één schuldeiser met twee vorderingen, te weten: </para>
    </parablock>
    <para>- [schuldeiser] , in behandeling bij LAVG (hierna: [schuldeiser] );</para>
    <para>die weigert mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>LAVG heeft namens [bedrijf] B.V. (hierna: [schuldeiser] ) voorafgaand aan de zitting op 13 januari 2025 een verweerschrift ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij bericht van 23 januari 2025 heeft Geldplein Rotterdam te kennen gegeven dat verzoeker niet op de hoogte was van de zitting die op diezelfde dag zou plaatsvinden. Geldplein Rotterdam heeft verzocht de zitting te verplaatsen omdat verzoeker niet in de gelegenheid was om aanwezig te zijn. Naar aanleiding hiervan heeft de rechtbank een nieuwe zittingsdatum bepaald. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting van 20 maart 2025 zijn verschenen en gehoord:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verzoeker;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          [persoon A] , partner van verzoeker;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>mevrouw A. Changur, werkzaam bij Geldplein Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening).</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>De schuldeiser is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Wel heeft zij een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 1 en 2 april 2025 heeft de rechtbank aanvullende informatie van schuldhulpverlening ontvangen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is bepaald op heden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het verzoek</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift 7 concurrente schuldeisers met acht vorderingen. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 6.703,89 van verzoeker te vorderen. Verzoeker heeft bij brief van 16 mei 2024 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 10,62% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting. De schuldenlast was op dat moment € 7.150,89. De schuldenlast is derhalve lager geworden. Het aangeboden percentage is toegenomen tot 10,72%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De startdatum van de regeling is 8 maart 2024. De afloscapaciteit van verzoeker is gebaseerd op zijn WW-uitkering. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat hij in maart 2024 is gestart met een nieuwe baan. Verzoeker werkt fulltime. De aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en zijn vaste lasten worden inmiddels door zijn budgetbeheerder voldaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zes schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. [schuldeiser] stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 118,76 op verzoeker, welke 1,8% van de totale schuldenlast beloopt, en een vordering van € 108,75 op verzoeker, welke 1,6% van de totale schuldenlast beloopt.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het verweer</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de contacten met schuldhulpverlening heeft [schuldeiser] te kennen gegeven dat het accepteren van het aanbod haaks staat op het intensieve veiligheidsbeleid van tankstations in Nederland. Daarnaast heeft acceptatie mogelijke negatieve invloed op een eventuele aangifte. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In haar verweerschrift heeft [schuldeiser] – kort samengevat – aangegeven dat het verzoek dwangakkoord moet worden afgewezen. [schuldeiser] stelt zich op het standpunt dat de schuld van verzoeker niet te goeder trouw is ontstaan. Verzoeker heeft immers tweemaal getankt zonder dat hij de mogelijkheid had om te betalen. Er is met de tankstations afgesproken dat verzoeker de vordering alsnog binnen achtenveertig uur zou betalen. Ondanks diverse pogingen heeft verzoeker nimmer iets van zich laten horen. Verder is door verzoeker niet onderbouwd waarom [schuldeiser] niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren van instemming met de schuldregeling. Met de enkele opmerking dat de belangen van verzoeker en andere schuldeisers onevenredig worden geschaad kan naar de mening van [schuldeiser] niet worden volstaan. In de visie van [schuldeiser] heeft verzoeker voorts niet het maximaal haalbare aangeboden. Gezien de schuldregeling al op 8 maart 2024 is gestart en verzoeker nog geen betaalde arbeid verricht, is [schuldeiser] van mening dat verzoeker zich vanaf voornoemde datum niet maximaal heeft ingespannen voor het verkrijgen van een fulltime baan. [schuldeiser] stelt dat er onvoldoende is toegelicht waarom verzoeker (nog) niet werkt of niet volledig zou kunnen werken. [schuldeiser] stelt zich op het standpunt dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling een gunstiger resultaat zal hebben voor de schuldeisers. [schuldeiser] wijst er daarbij op dat in de schuldsaneringsregeling wettelijke waarborgen bestaan om te verzekeren dat verzoeker zich maximaal inspant om zoveel mogelijk baten voor zijn schuldeisers te verwerven. Ook zal verzoeker bij een toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling onder intensief, streng en onafhankelijk toezicht komen te staan van een professionele bewindvoerder en een rechter-commissaris. Tot slot meent [schuldeiser] dat een toewijzing van het dwangakkoord in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid en een verkeerd signaal zou afgeven aan de maatschappij, omdat tanken zonder te betalen nu beloond kan worden met een dwangakkoord.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van [schuldeiser] bij haar weigering vast.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of [schuldeiser] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden vastgesteld dat het aanbod goed en controleerbaar is gedocumenteerd. Het aanbod waar de andere schuldeisers mee akkoord zijn gegaan wijkt voor wat betreft de hoogte van de schuldenlast af van hetgeen ter zitting is gebleken. De rechtbank heeft een recent overzicht opgevraagd van de openstaande zaken bij het CJIB. Hieruit blijkt dat verzoeker een nieuwe schuld bij het CJIB heeft van in totaal € 933,00. Deze schuld is niet meegenomen in het aanbod. In de aanbiedingsbrief is weliswaar vermeld dat het voorstel een prognose is en dat afhankelijk van de reserveringsmogelijkheden van verzoekster het uiteindelijke resultaat hoger of lager kan uitvallen, maar de rechtbank is van oordeel dat de schuldeisers er geen rekening mee hoefden te houden dat het uiteindelijke resultaat lager zou worden doordat de schuldenlast gedurende het minnelijk traject zou toenemen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft voorts ter zitting vastgesteld dat het vtlb per juli 2024 niet correct is vastgesteld. Ook ontbreekt het vtlb die ziet op de periode vanaf de startdatum van de regeling en het vtlb per januari 2025. Verder heeft de rechtbank ter zitting vastgesteld dat het onduidelijk is of er vanaf de startdatum van de regeling is gespaard ten behoeve van de schuldeisers. Schuldhulpverlening is in de gelegenheid gesteld om na de zitting aanvullende stukken aan te leveren. Desondanks heeft schuldhulpverlening na de zitting te kennen gegeven dat zij op basis van de thans beschikbare gegevens niet in staat is om een compleet en duidelijk overzicht aan te leveren. Verzoeker heeft zijn inkomen in 2024 niet overgemaakt naar schuldhulpverlening en er is niet gereserveerd ten behoeve van de schuldeisers. Ook heeft schuldhulpverlening de opgevraagde documenten die zien op het jaar 2025 niet van verzoeker ontvangen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de belangen van [schuldeiser] als weigerende schuldeiser zwaarder wegen dan die van verzoeker of de overige schuldeisers. Het verzoek om [schuldeiser] te bevelen in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen.</para>
      <para>De rechtbank zal bij afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling beslissen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van mr. J.A. Kuijvenhoven, griffier, in het openbaar uitgesproken op 3 april 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier is buiten staat dit</para>
      <para>vonnis mede te ondertekenen </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>