<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2025:10106</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-21T15:59:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-07-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11498471 CV EXPL 25-1320</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:10106">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:10106</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-21T15:58:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2025:10106 Rechtbank Rotterdam , 04-07-2025 / 11498471 CV EXPL 25-1320</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2025:10106:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Aanneming van werk. Gedeeltelijke ontbinding overeenkomst. Vordering opdrachtgever tot terugbetaling van een deel van de aanbetaling toegewezen. Niet vast komen te staan dat partijen hebben afgesproken dat opdrachtnemer tegen finale kwijting slechts € 10.000,- hoeft te betalen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2025:10106:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Rotterdam</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 11498471 CV EXPL 25-1320</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>datum uitspraak: 4 juli 2025</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van de kantonrechter</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis>,</para>
      <para>woonplaats: [plaats 1] ,</para>
      <para>eiser, </para>
      <para>gemachtigde: mr. A.D. van Tongeren,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>, die voorheen handelde onder de naam <emphasis role="bold">[handelsnaam]</emphasis>,</para>
      <para>woonplaats: [plaats 2] ,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>gemachtigde: mr. M.J.S. Spanjersberg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding van 7 januari 2025, met bijlagen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het mondelinge antwoord;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het aanvullende antwoord;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de repliek;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de dupliek.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is de kern?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [eiser] en [gedaagde] hebben een overeenkomst van aanneming van werk gesloten. Partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] voor een bedrag van € 49.695,04 voor [eiser] een nokverhoging zou realiseren en een badkamerrenovatie zou uitvoeren. Door omstandigheden (detentie van [gedaagde] ) is [gedaagde] niet in staat geweest de overeenkomst tijdig na te komen. [eiser] heeft daarom de overeenkomst met [gedaagde] ontbonden. Volgens de nacalculatie die [gedaagde] daarop heeft gemaakt, heeft [eiser] recht op terugbetaling van € 14.897,86, aldus [eiser] . [eiser] eist in deze procedure dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt om dat bedrag aan haar te betalen. Omdat [gedaagde] niet op tijd heeft betaald, eist [eiser] dat [gedaagde] ook een vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten en de rente aan hem moet betalen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [gedaagde] is het niet eens met de eis van [eiser] . [gedaagde] stelt dat hij met [eiser] heeft afgesproken dat hij slechts € 10.000,00 aan [eiser] moet betalen. Verder betwist [gedaagde] dat [eiser] aanspraak kan maken op een vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] namelijk geen buitengerechtelijke incassokosten gemaakt, nu hij een rechtsbijstandsverzekeraar heeft.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De kantonrechter wijst de eis van [eiser] voor het grootste deel toe. Hierna wordt uitgelegd waarom.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [gedaagde] moet € 14.897,86 aan [eiser] betalen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Partijen zijn het erover eens dat [eiser] de overeenkomst (gedeeltelijk) heeft ontbonden. De kantonrechter begrijpt uit de stukken dat [eiser] een aanbetaling van € 31.589,52 heeft gedaan. Op grond van artikel 6:271 BW heeft [eiser] recht op terugbetaling van hetgeen hij, gelet op de werkzaamheden die [eiser] uiteindelijk niet heeft uitgevoerd, te veel heeft betaald. [gedaagde] erkent dat [eiser] volgens zijn berekening recht heeft op terugbetaling van € 14.897,86 in verband met het niet afronden van de werkzaamheden. [gedaagde] meent niettemin dat hij slechts € 10.000,00 aan [eiser] hoeft te betalen. [gedaagde] voert daartoe aan dat partijen hebben afgesproken dat hij tegen finale kwijting € 10.000,00 aan [eiser] moet betalen. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] daartoe een aanbod gedaan en heeft hij dat aanbod telefonisch geaccepteerd. Het voorgaande wordt door [eiser] betwist; volgens [eiser] heeft [gedaagde] dat aanbod namelijk nooit geaccepteerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>
        [gedaagde] draagt de stelplicht en bewijslast van de stelling dat partijen hebben afgesproken dat hij slechts € 10.000,00 aan [eiser] moet betalen (artikel 150 Rv). De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd. De kantonrechter leidt uit de stukken af dat de gemachtigde van [eiser] op 26 juli 2024 per e-mail aan [gedaagde] het aanbod heeft gedaan om tegen finale kwijting binnen drie maanden € 10.000,00 te betalen, maar niet is gebleken dat [gedaagde] dat aanbod ook heeft aanvaard. [gedaagde] heeft geen stukken overgelegd waaruit dit blijkt en heeft ook niet toegelicht wanneer hij dat aanbod zou hebben aanvaard en wie hij daarbij zou hebben gesproken. Daarbij strookt de stelling van [gedaagde] dat hij het voorstel van de gemachtigde van [eiser] heeft geaccepteerd niet met de e-mail van de gemachtigde van [eiser] van 26 augustus 2024, waarin de gemachtigde van [eiser] aan [gedaagde] schrijft dat het hem vrij staat een (tegen)voorstel te doen. Hieruit valt indirect af te leiden dat tussen partijen nog geen overeenstemming was bereikt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt de kantonrechter tot de conclusie dat niet is komen vast te staan dat partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] slechts € 10.000,00 aan [eiser] moet terugbetalen. Nu [gedaagde] erkent dat [eiser] volgens zijn eigen berekening recht heeft op terugbetaling van € 14.897,86, veroordeelt de kantonrechter [gedaagde] om dat bedrag aan [eiser] te betalen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>Het voorgaande betekent ook dat, anders dan [gedaagde] stelt, [eiser] niet in strijd met de waarheidsplicht (artikel 21 Rv) heeft gehandeld.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [gedaagde] hoeft geen incassokosten te betalen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>
        [eiser] eist een vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter wijst deze af. Het is namelijk niet vast komen te staan dat [eiser] kosten voor de buitengerechtelijke incassowerkzaamheden heeft gemaakt en in die zin vermogensschade heeft geleden die op grond van artikel 6:96 lid 2 BW voor vergoeding in aanmerking komt. Hoewel uit de stukken blijkt dat de gemachtigde van [eiser] voorafgaand aan deze procedure verschillende incassowerkzaamheden heeft verricht, heeft [eiser] geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zijn rechtsbijstandsverzekering voor deze werkzaamheden kosten bij hem in rekening brengt. Eventuele kosten die de rechtsbijstandsverzekeraar zelf heeft gemaakt, vormen geen schade van [eiser] maar van de rechtsbijstandsverzekeraar. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [gedaagde] moet rente betalen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>De rente wordt toegewezen, omdat [eiser] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. De kantonrechter wijst de rente toe vanaf 10 augustus 2024. [eiser] heeft [gedaagde] immers op 26 augustus 2024 per e-mail aangemaand om de hoofdsom binnen 14 dagen te betalen. [gedaagde] is derhalve per 10 augustus 2024 in verzuim met de betaling van de hoofdsom en vanaf die datum rente aan [eiser] verschuldigd.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [gedaagde] moet de proceskosten betalen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <para>De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij grotendeels ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). Daarbij is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] , anders dan [gedaagde] meent, wel degelijk recht heeft op een vergoeding voor de salariskosten. Deze kosten worden immers volgens het liquidatietarief toegewezen; daarvoor is niet relevant of en hoeveel salaris in werkelijkheid aan de gemachtigde moet worden betaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11.</nr>
      <para>De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser] moet betalen op € 146,14 aan dagvaardingskosten, € 732,00 aan griffierecht, € 812,00 aan salaris voor de gemachtigde (twee punten x € 406,00) en € 135,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.825,14. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.12.</nr>
      <para>Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para>De kantonrechter:</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 14.897,86 aan hoofdsom met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 10 augustus 2024 tot de dag dat volledig is betaald;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 1.825,14 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>wijst al het andere af.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.</para>
        <para>62828</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>