<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2024:9754</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-10-09T12:00:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-10-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-10-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ROT 23/8353 en ROT 23/8356 V</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:9754">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:9754</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-10-08T11:02:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-10-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2024:9754 Rechtbank Rotterdam , 08-10-2024 / ROT 23/8353 en ROT 23/8356 V</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2024:9754:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Uitspraak op verzet. Het griffierecht is een dag te laat betaald.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2024:9754:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummers: ROT 23/8353 en ROT 23/8356 V</para>
  </parablock>
  <bridgehead>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 oktober 2024 op het verzet van</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [naam opposante] , opposante</title>
    <para>(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels, hierna: Bartels).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van de rechtbank van 22 maart 2024 in de gedingen tussen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>opposante</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de heffingsambtenaar van de gemeente Capelle aan den IJssel verweerder</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak op het verzet van opposante gaat over de uitspraak van de rechtbank van 22 maart 2024 waarin de rechtbank de beroepen van opposante niet-ontvankelijk heeft verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het verzet op 27 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft Bartels namens opposante deelgenomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank heeft in de beroepszaken uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat opposante het verschuldigde griffierecht van € 365,- niet tijdig heeft betaald. Er is geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken. </para>
    <para />
    <para>2. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of in de uitspraak van 22 maart 2024 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.</para>
    <para />
    <para>3. Bartels voert aan dat het griffierecht tijdig door hem namens opposante is betaald. Hij heeft namelijk op 16 februari 2024 betaald en dat is binnen vier weken nadat hij de brief met nota van de rechtbank heeft ontvangen.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat, nadat niet binnen vier weken na de eerste brief van 20 december 2023 het griffierecht was voldaan, met dagtekening van 18 januari 2023 aan Bartels een herinnering is verstuurd om binnen vier weken alsnog het griffierecht te betalen. In deze brief staat onder meer het volgende:</para>
        <para>“ <emphasis role="italic">Uit onze administratie blijkt dat u nog niet heeft voldaan aan mijn uitnodiging om het griffierecht te betalen. Het nog te betalen bedrag is €365,00. </emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ik deel u nu mee dat u het bedrag binnen vier weken na dagtekening van deze</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">brief moet hebben overgemaakt op rekening:” </emphasis>(..)</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Als het verschuldigde bedrag niet of niet tijdig is overgemaakt op de genoemde</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">bankrekening, loopt u het risico dat uw beroepschrift niet ontvankelijk verklaard</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">wordt. Hierna krijgt u geen nieuwe gelegenheid om het griffierecht te betalen.</emphasis>
        </para>
        <para>(..)</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Hieruit volgt duidelijk dat <emphasis role="underline">binnen </emphasis>vier weken na de <emphasis role="underline">dagtekening</emphasis> van de brief het griffierecht betaald moet worden. De laatste dag om het griffierecht te betalen was dan 15 februari 2024. Op die dag was nog niet betaald, Bartels heeft op 16 februari 2024 betaald, wat dus te laat is.</para>
        <para>Ter zitting heeft Bartels verklaard dat zijn werkwijze zo is ingericht dat hij altijd binnen vier weken na de ontvangst van de (herinnerings)brief betaalt. Gebeurt dat echter niet, dan komt dat voor zijn rekening en risico, in de brief van de rechtbank van 18 januari 2023 staat duidelijk dat binnen vier weken na de dagtekening betaald moet zijn. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>4. Voor het overige heeft Bartels geen gronden aangevoerd. Het verzet is daarom ongegrond.</para>
      <para />
      <para>5.  Opposante heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade, omdat de procedure onredelijk lang heeft geduurd.</para>
      <para />
      <para>6. In dit geval is echter nog geen anderhalf jaar verstreken sinds de ontvangst van het beroep op 13 december 2023, zodat de rechtbank dit verzoek reeds hierom afwijst.<footnote-ref linkend="_aacdffa3-a7b5-4076-93d4-8385b24272cc" /></para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het verzet ongegrond;</para>
    <para>- wijst het verzoek om schadevergoeding af.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. G.C.W. van der Feltz, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. M. Noordegraaf, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">de rechter is verhinderd</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">						de uitspraak te ondertekenen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad</emphasis> www.hogeraad.nl. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag</emphasis>. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:</para>
    </parablock>
    <para>1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;</para>
    <para>2. ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;</para>
    <para>3. het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:</para>
    <para>a. de naam en het adres van de indiener;</para>
    <para>b. de dagtekening;</para>
    <para>c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</para>
    <para>d. de gronden van het beroep in cassatie.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_aacdffa3-a7b5-4076-93d4-8385b24272cc" label="1">
    <para> Zie het arrest van de Hoge Raad van 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2712</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>