<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2024:9691</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-10-07T09:22:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-10-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-09-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10-013368-24 (ontneming)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:9691">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:9691</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-10-07T09:20:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-10-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2024:9691 Rechtbank Rotterdam , 10-09-2024 / 10-013368-24 (ontneming)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2024:9691:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel ex art. 36e Wetboek van Strafrecht. Veroordeelde heeft zich schuldig gemaakt aan de illegale handel in medicijnen en drugs vanuit en woning en eenvoudig witwassen. Wederrechtelijk verkregen voordeel en betalingsverplichting wordt vastgesteld op €214.373,-.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2024:9691:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank Rotterdam</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team straf 1</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 10.013368.24 (ontneming)</para>
      <para>Datum uitspraak: 10 september 2024</para>
      <para>Tegenspraak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, naar aanleiding van de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in de zaak tegen </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [veroordeelde] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,</para>
      <para>ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres </para>
      <para>
        [adres] [postcode] [woonplaats] ,</para>
      <para>raadsman mr. W.J. Ausma, advocaat te Utrecht.</para>
    </parablock>
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Onderzoek op de terechtzitting</title>
    <para>Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2024, gelijktijdig met het onderzoek van de strafzaak. </para>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Voorafgaande veroordeling </title>
    <para>Bij vonnis van deze rechtbank van 10 september 2024 is [veroordeelde] (hierna: de veroordeelde) ter zake van het in zijn strafzaak bewezen verklaarde, gekwalificeerd als:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Feit 1</emphasis>
      </para>
      <para>opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Feit 2</emphasis>
      </para>
      <para>eenvoudig witwassen;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Feit 3</emphasis>
      </para>
      <para>opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 40, tweede lid, van de Geneesmiddelenwet;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.<footnote-ref linkend="_8df550b7-7759-4c70-8050-a1434e181410" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In deze procedure wordt als vaststaand aangenomen dat voornoemde strafbare feiten door de veroordeelde zijn begaan.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Vordering van het Openbaar Ministerie</title>
    <para>De ontnemingsvordering van de officier van justitie mr. E.M. Loppé - zoals deze na wijziging op de zitting is komen te luiden - strekt tot:</para>
    <para>- het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) op een bedrag van € 215.353,-;</para>
    <para>- het opleggen aan de veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van € 215.353,- ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is gebaseerd op artikel 36e, tweede lid, van het wetboek van Strafrecht. Volgens de officier van justitie is sprake van voordeel verkregen door middel van of uit de baten van de strafbare feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Standpunt verdediging </title>
    <para>De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden gematigd tot € 100.000,- en dat de terugbetalingsverplichting op nihil moet worden vastgesteld zodat verdachte in staat is de door verdachte in de hoofdzaak voorgestelde geldboete van € 100.000,- te voldoen. Ter onderbouwing is aangevoerd dat de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel lastig exact te bepalen is, nu de veroordeelde ook het nodige geld van zijn ouders heeft ontvangen en niet alle aankopen zijn gedaan met de opbrengst van de handel in verdovende middelen en medicijnen. Veroordeelde meent dat het wederrechtelijk verkregen voordeel het bedrag is dat wederrechtelijk is verkregen. De veroordeelde heeft niet meer vermogen en er dient te worden voorkomen dat hij zijn huis moet verkopen.</para>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>Beoordeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel </title>
    <para>Bij de beantwoording van de vraag naar de omvang van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt uitgegaan van de situatie, zoals die uit het onderzoek door de politie is gebleken. De rechtbank is van oordeel dat het ‘rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel’ een voldoende nauwkeurige schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel betreft.<footnote-ref linkend="_fb02db5f-9f52-4c51-bdb6-2891eb1ecd9d" /> Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt in het rapport geschat op € 216.353,-; Bovendien is er bij die schatting, aan de hand van zijn verklaring naar aanleiding van het onderzoek dat aan de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten grondslag ligt, steeds uitgegaan van de voor de veroordeelde meest voordelige situatie. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het rapport echter één rekenfout ten aanzien van het aankoopbedrag van de Jeep bevat en bovendien gaat de rechtbank conform hetgeen bewezen is verklaard uit van het bedrag van € 11.930,00 dat volgens de beslaglijst in de woning in beslag is genomen, in plaats van de € 12.190,00 waarmee in het Rapport Berekening Wederrechtelijk Verkregen Voordeel is gerekend, waardoor de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat, vaststelt op € 214.373,-.</para>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Vaststelling van de betalingsverplichting</title>
    <parablock>
      <para>Uitgangspunt is dat de betalingsverplichting wordt vastgesteld op het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. Er is in deze zaak geen reden om daarvan af te wijken. Niet aannemelijk is geworden dat de veroordeelde op dit moment geen draagkracht heeft en ook in de toekomst niet in staat zal zijn om het bedrag te betalen. Indien in de toekomst blijkt dat geen middelen tot terugbetaling voorhanden zijn, kan de veroordeelde de rechter om een (nadere) beslissing verzoeken op grond van artikel 6:6:26 Sv.</para>
      <para>Aan de veroordeelde zal de verplichting worden opgelegd om een bedrag van € 214.373,- aan de staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. </para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>10</nr>Toepasselijke wettelijke voorschriften</title>
    <para>Deze beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.</para>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>11</nr>Beslissing</title>
    <para>De rechtbank:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt</para>
      <para>geschat, vast op <emphasis role="bold">€ 214.373,-</emphasis> (zegge: <emphasis role="bold">tweehonderdveertienduizend driehonderd drieënzeventig euro);</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van <emphasis role="bold">€ 214.373,- (zegge: tweehonderdveertienduizend driehonderddrieënzeventig euro) </emphasis>ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 Sv ten hoogste kan worden gevorderd op <emphasis role="bold">1080 dagen</emphasis> (zegge: <emphasis role="bold">duizendtachtig</emphasis>);</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst af het meer of anders gevorderde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door:</para>
      <para>mr. A.M.H. Geerars, voorzitter, </para>
      <para>en mrs. S.M. den Hollander en A. Sennef, rechters, </para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. R.E. Kroon, griffier, </para>
      <para>en uitgesproken op 10 september 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De oudste en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_8df550b7-7759-4c70-8050-a1434e181410" label="1">
    <para> Dit vonnis is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fb02db5f-9f52-4c51-bdb6-2891eb1ecd9d" label="2">
    <para> Het rapport is als bijlage 2 aan dit vonnis gehecht.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>