<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2024:8926</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-10-10T07:28:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-09-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-09-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11187004 VZ VERZ 24-6181</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_arbeidsrecht">Civiel recht; Arbeidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AR-Updates.nl 2024-1163</rdf:li>
          <rdf:li>VAAN-AR-Updates.nl 2024-1163</rdf:li>
          <rdf:li>Sdu Nieuws Arbeidsrecht 2024/349</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:8926">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:8926</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-09-17T09:19:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-09-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2024:8926 Rechtbank Rotterdam , 03-09-2024 / 11187004 VZ VERZ 24-6181</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2024:8926:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ontslag op staande voet wegens werkweigering houdt geen stand. Een week voor dit ontslag op staande voet had werkgever de arbeidsovereenkomst bij brief opgezegd, met inachtneming van een opzegtermijn. Omdat werknemer geen vernietiging van die opzegging heeft gevorderd, staat deze in rechte vast. 7:671 BW en 7:681 Bw</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2024:8926:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para>locatie Rotterdam</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: 11187004 VZ VERZ 24-6181</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>uitspraak: 3 september 2024</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">beschikking van de kantonrechter</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaken van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoekster],</emphasis>
      </para>
      <para>woonplaats: [woonplaats],</para>
      <para>verzoekster, </para>
      <para>gemachtigde: mr. M. El Idrissi,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Surgerytimeistanbul B.V., </emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd: Capelle aan den IJssel,</para>
      <para>verweerster,</para>
      <para>gemachtigde: mr. S.A. Wensing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna mede aangeduid als ‘[verzoekster]’ en ‘STI’.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:</para>
      <parablock>
        <para> het verzoekschrift van [verzoekster] (ontvangen op 1 juli 2024), met bijlagen;</para>
        <para> het verweerschrift.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De mondelinge behandeling is gehouden op 19 augustus 2024. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling</title>
    <bridgehead role="italic">De kern van het geschil</bridgehead>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>In deze zaak gaat het in de kern om het volgende. [verzoekster] is op 29 januari 2024 in dienst getreden bij STI in de functie van tandartsassistente, op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van 12 maanden. Op 1 april 2024 heeft STI de arbeidsovereenkomst opgezegd. Die opzegging heeft zij vervolgens ingetrokken bij brief van 30 april 2024. In deze brief heeft zij de arbeidsovereenkomst (opnieuw) opgezegd tegen 31 mei 2024. Vervolgens heeft STI [verzoekster] op 6 mei 2024 op staande voet ontslagen. [verzoekster] vordert nu vernietiging van dat ontslag op staande voet. Volgens STI is het ontslag op terechte gronden gegeven. Voor het geval geoordeeld wordt dat het ontslag niet terecht was, verzoekt STI een verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst op 31 mei 2024 is geëindigd, en subsidiair verzoekt zij de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht per 31 mei 2024 althans een door de kantonrechter te bepalen datum, op grond van verstoorde verhoudingen. </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>2.1.1.</nr>
        <para>Beide partijen krijgen op punten gelijk. Het ontslag op staande voet houdt geen stand, maar de opzegging tegen 31 mei 2024 wel. Die beslissingen worden hierna verder uitgelegd. </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Het gegeven ontslag op staande voet</emphasis>
          </para>
        </parablock>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Allereerst moet de vraag worden beantwoord of [verzoekster] terecht op staande voet is ontslagen. Haar vorderingen en verzoeken zijn immers gebaseerd op het uitgangspunt dat dat niet zo is. </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>2.2.1.</nr>
        <para>Voor de beantwoording van deze vraag geldt als kader dat in artikel 7:677 lid 1 BW is bepaald dat ieder van partijen bevoegd is de arbeidsovereenkomst op grond van een dringende reden op te zeggen, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Voor een werkgever kunnen als dringende redenen worden aangemerkt zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer die tot gevolg hebben dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren<footnote-ref linkend="_98760594-8f4b-4401-a2bd-fe72bacedbba" />. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een dringende reden moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen<footnote-ref linkend="_3932929c-b81b-407c-a903-9644b440cdae" />. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.2.</nr>
        <para>STI heeft de opzegging van de arbeidsovereenkomst per 1 april 2024 ingetrokken en de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] opnieuw, per 31 mei 2024, opgezegd. In hetzelfde e-mailbericht is [verzoekster] verzocht om op 6 mei 2024 haar werkzaamheden te hervatten<footnote-ref linkend="_fc4bf477-b01f-4870-a982-602324abdec9" />. Vast staat dat zij die dag niet is verschenen. STI heeft haar vervolgens op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief, gedateerd op 6 mei 2024<footnote-ref linkend="_9cdf9ab6-b733-4525-85e4-e0c96db9ec04" />, staat als reden voor het ontslag genoemd: “<emphasis role="italic">Helaas heb ik moeten constateren maandag 06 mei 2024 om 9:00 niet op je werk bent verschenen ik beschouw dit als werkweigering. In het verleden heb ik je vele malen moet waarschuwen gelet hierop laat ik je weten op staande voet te moeten ontslaan. (…)</emphasis>” </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.3.</nr>
        <para>In de gegeven omstandigheden kan het feit dat [verzoekster] op 6 mei 2024 niet op het werk is verschenen echter niet worden beschouwd als werkweigering. In een periode van slechts enkele weken had STI haar twee keer ontslag aangezegd. Ook was inmiddels een kort geding procedure aanhangig bij deze rechtbank over de eerste ontslagaanzegging. In deze omstandigheden past het niet om een werkneemster zonder enig overleg te sommeren weer op het werk te verschijnen en haar gelijk te ontslaan als zij dan niet komt. Er was op dat moment té veel onduidelijkheid en het had op de weg van STI gelegen om helderheid te verschaffen. Daar komt nog bij dat [verzoekster] stelt dat geen sprake was van werkweigering, maar van ziekte. De door STI eerder gestuurde waarschuwingen leggen, gelet op dit alles, onvoldoende gewicht in de schaal. </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Dringende reden</emphasis>
          </para>
        </parablock>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Van een dringende reden was op 6 mei 2024 dus geen sprake. STI is ten onrechte overgegaan tot het geven van een ontslag op staande voet. Het gegeven ontslag zal daarom worden vernietigd, zoals door [verzoekster] verzocht. </para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Verklaring voor recht </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De vraag is vervolgens of sprake is van een einde van de arbeidsovereenkomst per 31 mei 2024<footnote-ref linkend="_a5fd9b7e-f8d7-4ed2-ace0-78a87499aea4" />, zoals STI betoogt. Dit is het geval. </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>2.4.1.</nr>
        <para>STI heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd in strijd met het bepaalde in artikel 7:671 BW. [verzoekster] heeft namelijk niet schriftelijk ingestemd met de opzegging en STI beschikte evenmin over toestemming van het UWV. [verzoekster] heeft echter niet binnen de daarvoor geldende (verval-)termijn van twee maanden<footnote-ref linkend="_e0131901-deaf-42de-afee-fbcc9ed26786" /> een verzoek tot vernietiging van die opzegging ingediend<footnote-ref linkend="_e104eabf-2bf4-4c7b-9650-f48fcc8aec73" />. Nu [verzoekster] niet tijdig vernietiging heeft verzocht, kan deze niet meer in rechte worden aangetast. Met andere woorden: de opzegging van de arbeidsovereenkomst per 31 mei 2024 houdt stand. De door STI op dit punt gevraagde verklaring voor recht zal dan ook worden gegeven. </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Toelating tot het werk</emphasis>
          </para>
        </parablock>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>
        [verzoekster] heeft ook verzocht om haar (weer) toe te laten tot de werkvloer. Gelet op het feit dat de arbeidsovereenkomst al op 31 mei 2024 is geëindigd, bestaat voor deze vordering geen grondslag. Dit verzoek wordt daarom afgewezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Salaris vanaf 7 mei 2024</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Het ontslag op staande voet wordt vernietigd. Daardoor heeft [verzoekster] ook na 6 mei 2024 recht op loon. De verplichting tot betaling van het loon eindigt op 31 mei 2024. De vordering van [verzoekster] op dit punt zal dan ook op de hierna te vermelden manier worden toegewezen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wettelijke verhoging</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>
        [verzoekster] vordert ook wettelijke verhoging over het achterstallige loon. In de omstandigheden van deze zaak wordt aanleiding gezien om de gevorderde wettelijke verhoging te matigen tot 20%. In die beslissing speelt een rol dat de wettelijke verhoging vooral bedoeld is als een prikkel om het loon op tijd te betalen en niet zozeer als schadevergoeding. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Verstrekken salarisspecificatie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>STI is gehouden tot het verstrekken van een salarisspecificatie over de maand mei 2024<footnote-ref linkend="_818af450-31d7-4926-9740-2f5bc5e591a6" />. Zij zal op de hierna te vermelden manier worden veroordeeld tot afgifte daarvan. De kantonrechter ziet geen aanleiding om hier een dwangsom aan te verbinden. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>Beide partijen worden op punten in het ongelijk gesteld. De proceskosten worden daarom gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De kantonrechter:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>vernietigt het door STI op 6 mei 2024 gegeven ontslag op staande voet;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>verklaart voor recht dat de arbeidsovereenkomst per 31 mei 2024 is geëindigd;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>veroordeelt STI tot betaling van het netto equivalent van het brutosalaris van [verzoekster] van € 3.210,13 per maand (exclusief toeslagen) over de periode van 7 mei 2024 tot en met 31 mei 2024, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ad 20%;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>veroordeelt STI om aan [verzoekster] een salarisspecificatie te vertrekken over de maand mei 2024;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders verzochte. </para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze beschikking is gegeven door mr. J.J. Willemsen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.</para>
        <para>783</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_98760594-8f4b-4401-a2bd-fe72bacedbba" label="1">
    <para> Artikel 7:678 lid 1 BW</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3932929c-b81b-407c-a903-9644b440cdae" label="2">
    <para> Hoge Raad 12 februari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2849</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fc4bf477-b01f-4870-a982-602324abdec9" label="3">
    <para> Zie bijlage 11 bij het verzoekschrift</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9cdf9ab6-b733-4525-85e4-e0c96db9ec04" label="4">
    <para> Bijlage 12 bij het verzoekschrift</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a5fd9b7e-f8d7-4ed2-ace0-78a87499aea4" label="5">
    <para> Zie bijlage 11 bij het verzoekschrift</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e0131901-deaf-42de-afee-fbcc9ed26786" label="6">
    <para> Artikel 7:686a lid 4 BW</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e104eabf-2bf4-4c7b-9650-f48fcc8aec73" label="7">
    <para> Artikel 7:681 BW</para>
  </footnote>
  <footnote id="_818af450-31d7-4926-9740-2f5bc5e591a6" label="8">
    <para> Artikel 7:626 BW</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>