<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2024:8168</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-28T10:19:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-08-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-08-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ROT 23/5148</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RVS:2025:5175" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2025:5175, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:8168">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:8168</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-08-29T14:56:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-08-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2024:8168 Rechtbank Rotterdam , 26-08-2024 / ROT 23/5148</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2024:8168:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing overname private schulden op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Schuld aan schoonvader niet vastgelegd in notariële akte en niet opeisbaar. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2024:8168:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: ROT 23/5148 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 augustus 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], uit [plaatsnaam], eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J.A. van Gemeren),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Financiën </bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M. Balbi).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met het besluit van 7 november 2022 heeft de minister de aanvraag van eiser om overname van een geldschuld op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met het besluit van 21 juni 2023 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiser tegen het besluit van 7 november 2022 ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep behandeld op de zitting van 15 juli 2024. Aan de zitting hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser is gedupeerde in de toeslagenaffaire. Omdat hij door de terugvorderingen van de Belastingdienst in de financiële problemen kwam, heeft hij in 2013 € 25.000,- geleend van zijn schoonvader. De schuld is niet vastgelegd in een notariële akte. Eiser en zijn schoonvader hebben afgesproken dat eiser de schuld zal terugbetalen zodra hij daartoe in staat is. De schuld is niet afgelost.</para>
    <para />
    <para>2. De minister heeft de aanvraag van eiser om de geldschuld over te nemen afgewezen, omdat de schuld niet is vastgelegd in een notariële akte en de schuld niet opeisbaar is geworden.</para>
    <para />
    <para>3.  Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in de bezwaarprocedure ten onrechte niet is gehoord. De rechtbank passeert dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat eiser op de zitting bij de rechtbank naar voren heeft kunnen brengen wat hij tijdens de hoorzitting in bezwaar naar voren had willen brengen. De minister moet wel het griffierecht en de proceskosten van eiser vergoeden.</para>
    <para>4. Eiser betoogt dat het vereiste dat de schuld in een notariële akte moet zijn vastgelegd, onredelijk is. Juist omdat de schuld is aangegaan vanwege financiële problemen, was er geen geld om naar de notaris te gaan. De schuld is wel schriftelijk vastgelegd en ondertekend door eiser en zijn schoonvader. In het civiele recht heeft een ondertekende schriftelijke overeenkomst dwingende bewijskracht. </para>
    <para />
    <para>5. De minister neemt op aanvraag een geldschuld over van een aanvrager die in aanmerking komt voor de toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van de Wht. De geldschulden die worden overgenomen zijn ontstaan na 31 december 2005, waren voor 1 juni 2021 opeisbaar en zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. Een schuld die niet is ontstaan in de normale uitoefening van het beroep of bedrijf van de schuldeiser moet zijn vastgelegd in een notariële akte.<footnote-ref linkend="_02a9f2cb-d2ee-4cfc-86df-2270911601ec" /></para>
    <para />
    <para>6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de aanvraag van eiser terecht afgewezen. De geldschuld van eiser voldoet niet aan de wettelijke vereisten voor overname daarvan. Het is begrijpelijk dat iemand die vanwege financiële problemen geld leent bij familie die schuld niet vastlegt bij een notaris. Bij het opstellen van deze regeling is dit uitgebreid door de regering en het parlement besproken. Uiteindelijk is het vereiste van een notariële akte toch in de wet opgenomen. De rechtbank kan dit vereiste daarom niet opzij zetten.<footnote-ref linkend="_36ccc6a5-ccd1-4727-946c-8d4ee34b9031" /> De minister is niet gebonden aan de civielrechtelijke dwingende bewijskracht van de schriftelijke overeenkomst, omdat die alleen geldt tussen eiser en zijn schoonvader.<footnote-ref linkend="_68671123-9f93-45ef-b2c1-fa27d9282a23" /> Omdat eiser en zijn schoonvader hebben afgesproken dat de schuld pas hoeft te worden terugbetaald, als eiser daartoe in staat is, staat niet vast dat de schuld opeisbaar is geworden voor 1 juni 2021. Ook aan dat vereiste is dus niet voldaan. </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister de schuld van eiser niet hoeft over te nemen. </para>
    <para />
    <para>8. De minister moet het door eiser betaalde griffierecht vergoeden. De rechtbank veroordeelt de minister verder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875,- en wegingsfactor 1).</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep ongegrond;</para>
    <para>- bepaalt dat de minister het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiser vergoedt;</para>
    <para>- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750,-.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van N. Bilogrević, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De griffier is verhinderd</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">de uitspraak te ondertekenen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.</para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_02a9f2cb-d2ee-4cfc-86df-2270911601ec" label="1">
    <para> Artikel 4.1, eerste lid, tweede lid en derde lid, aanhef en onder b, van de Wht.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_36ccc6a5-ccd1-4727-946c-8d4ee34b9031" label="2">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2040.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_68671123-9f93-45ef-b2c1-fa27d9282a23" label="3">
    <para> Artikel 157, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>