<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2024:7371</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-08-09T16:33:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-08-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-07-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/10/681101 / KG RK 24-723</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:7371">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:7371</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-08-09T16:32:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-08-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2024:7371 Rechtbank Rotterdam , 05-07-2024 / C/10/681101 / KG RK 24-723</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2024:7371:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Mondelinge behandeling in verzoek tot het leggen van conservatoire beslag.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2024:7371:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="f4c8e589-de94-4d36-be44-ab9d3a21509f" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="83626f8f-f8ae-4b58-8b45-cc64999b95ae" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>beschikking</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team handel en haven</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rekestnummer: C/10/681101 / KG RK 24-723</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beschikking van de voorzieningenrechter van 5 juli 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">DO-FLEX B.V.,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te Bergschenhoek, </para>
      <para>verzoekster,</para>
      <para>advocaat mr. E.A. van Nimwegen te Rotterdam,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid <?linebreak?><emphasis role="bold">WORKERS4U INDUSTRIAL B.V.,</emphasis></para>
      <para>gevestigd te Hoogvliet,</para>
      <para>verweerster,<?linebreak?>advocaat mr. K. Zeylmaker te Rotterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna aangeduid als verzoekster en verweerster.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Op 21 juni 2024 heeft de voorzieningenrechter een verzoekschrift tot het</para>
        <para>leggen van conservatoire beslagen ontvangen. Op 21 juni 2024 is een aanvullende vraag</para>
        <para>gesteld door de voorzieningenrechter. Deze vraag is op 24 juni 2024 door de advocaat van</para>
        <para>verzoekster beantwoord. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter bepaald dat partijen</para>
        <para>zullen worden gehoord op het verzoek. Deze zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2024.</para>
        <para>Ter voorbereiding op de zitting heeft verzoekster nog een aanvullende productie overgelegd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>- 1.2.	Ter zitting zijn beide partijen verschenen en hebben zij hun standpunten toegelicht,</para>
        <para>verzoekster onder andere aan de hand van pleitaantekeningen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <parablock>
        <para>In deze zaak gaat het, kort weergegeven, om het volgende. Verzoekster heeft</para>
        <para>personeel van verweerster ingeleend en vervolgens ter beschikking gesteld aan haar</para>
        <para>opdrachtgevers Damen en Mammoet. Verzoekster heeft facturen van verweerster onbetaald</para>
        <para>gelaten. Op vordering van verweerster heeft de rechtbank Rotterdam verzoekster bij vonnis</para>
        <para>van 1 mei 2024 veroordeeld tot betaling van (afgerond) € 133.000,-- (vermeerderd met rente</para>
        <para>en (proces)kosten). In die procedure heeft verzoekster, bijgestaan door een andere advocaat,</para>
        <para>als verweer gevoerd dat verweerster wanprestatie heeft gepleegd. Dit verweer heeft de rechtbank verworpen, onder andere omdat verzoekster niet heeft toegelicht wat de (juridische) gevolgen van die vermeende wanprestatie zouden moeten zijn. De rechtbank heeft ook inhoudelijk geoordeeld over het standpunt van verzoekster dat verweerster wanprestatie heeft gepleegd en dit standpunt te licht bevonden. Verzoekster is in hoger beroep gegaan.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Het verzoek strekt tot het verkrijgen van verlof om beslag te leggen onder zichzelf</para>
        <para>op de vordering die verweerster op grond van het vonnis van de rechtbank heeft.</para>
        <para>Verzoekster voert aan dat haar standpunt in eerste aanleg niet goed over het voetlicht is</para>
        <para>gebracht en dat zij dat in hoger beroep wil herstellen. In het beslagrekest heeft zij aan de</para>
        <para>hand van verklaringen van haar opdrachtgevers onderbouwd dat zij als gevolg van</para>
        <para>onwenselijk gedrag van de van verweerster ingeleende arbeidskrachten geen nieuwe</para>
        <para>opdrachten meer krijgt, waardoor zij forse schade lijdt. Verzoekster zal zich in hoger beroep</para>
        <para>tegen het vonnis van de rechtbank om deze reden beroepen op verrekening.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <parablock>
        <para>In geval van een vordering tot opheffing van beslag nadat de bodemrechter de</para>
        <para>vordering in eerste instantie heeft afgewezen. maar tegen dat oordeel nog een rechtsmiddel</para>
        <para>openstaat. geldt de zogenoemde ‘afstemmingsregel’ niet. In een dergelijk geval moeten de</para>
        <para>belangen van partijen worden afgewogen, waarbij in aanmerking moet worden genomen dat</para>
        <para>een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat voor een</para>
        <para>vooralsnog niet vaststaande vordering verhaal mogelijk zal zijn ingeval de vordering in de</para>
        <para>hoofdzaak wordt toegewezen, terwijl de beslaglegger bij (definitieve) afwijzing van de</para>
        <para>vordering in de hoofdzaak voor de door het beslag ontstane schade aansprakelijk is. Wel</para>
        <para>moet hierbij worden betrokken dat de rechter in de hoofdzaak al uitspraak heeft gedaan</para>
        <para>(onder andere ECLI:NL:HR:2006:AV1559 en ECLI:NL:HR:2020:599). Dit geldt naar het</para>
        <para>oordeel van de voorzieningenrechter ook in de onderhavige situatie, waarin (pas) na de</para>
        <para>uitspraak van de bodemrechter in eerste aanleg wordt verzocht om toestemming voor het</para>
        <para>leggen van conservatoir beslag hangende het hoger beroep.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <parablock>
        <para>Tegen de achtergrond van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel</para>
        <para>dat verzoekster haar vordering summierlijk voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Daarbij</para>
        <para>moet worden bedacht dat het middel van hoger beroep er mede toe strekt om mogelijke</para>
        <para>fouten gemaakt in de procedure in eerste aanleg te herstellen. Uit de onderbouwing van en</para>
        <para>de toelichting op het beslagrekest leidt de voorzieningenrechter af dat het (vermeende)</para>
        <para>schadeveroorzakende feit aan de kant van verweerster is gelegen in het ongewenste gedrag</para>
        <para>van de door haar ter beschikking gestelde arbeidskrachten. Denkbaar is dat in hoger beroep</para>
        <para>van belang zal zijn in hoeverre verzoekster verweerster hierop tijdig heeft gewezen. Aan de</para>
        <para>andere kant kan niet worden uitgesloten dat, gegeven de aard van het verwijt, voor het</para>
        <para>intreden van verzuim van verweerster niet noodzakelijk was dat zij in gebreke werd gesteld.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <parablock>
        <para>Een belangenafweging moet leiden tot de conclusie dat liet belang van verzoekster</para>
        <para>bij beslaglegging zwaarder moet wegen dan het belang van verweerster bij het achterwege</para>
        <para>laten daarvan. Dit volgt uit de strekking van conservatoire beslaglegging, in het licht van het</para>
        <para>gegeven dat verzoekster aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan geleden schade in het</para>
        <para>geval haar beroep op wanprestatie definitief wordt afgewezen. Niet gebleken is van</para>
        <para>bijzondere omstandigheden die meebrengen dat dit in dit geval tot een andere uitkomst moet</para>
        <para>leiden. Het enkele feit dat verweerster als gevolg hiervan (veel) langer op haar geld moet</para>
        <para>wachten, is daarvoor onvoldoende.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <parablock>
        <para>Het gevraagde verlof wordt dus verleend. De vordering zal in dat kader worden</para>
        <para>begroot op het bedrag dat verzoekster ingevolge het vonnis van de rechtbank aan verweerster verschuldigd is (vemeerderd met de gebruikelijke opslag conform de Beslagsyllabus) en dus niet op het hogere bedrag waarop verzoekster zelf haar schade heeft</para>
        <para>begroot. Omdat verzoekster in eerste aanleg geen eis in reconventie heeft ingesteld, moet</para>
        <para>het er vooralsnog voor worden gehouden dat het maximaal haalbare resultaat voor</para>
        <para>verzoekster in hoger beroep zal zijn dat de vordering van verweerster door verrekening</para>
        <para>teniet gaat. Hierin ziet de voorzieningenrechter aanleiding de vordering van verzoekster te</para>
        <para>begroten zoals zojuist overwogen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <parablock>
        <para>Omdat de hoofdzaak (in hoger beroep) al loopt, hoeft geen termijn voor het</para>
        <para>instellen van de hoofdzaak te worden bepaald.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para>De voorzieningenrechter,</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>wijst het verzoek toe;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>begroot de vordering van verzoekster op € 209.000,--;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze beschikking is gegeven door mr. Th. Veling, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2024. </para>
        <para>3610/1980</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>