<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2024:7050</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-07-30T11:19:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-07-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-07-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/10/682655 / KG ZA 24-699</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#kortGeding">Kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:7050">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:7050</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-07-30T11:17:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-07-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2024:7050 Rechtbank Rotterdam , 17-07-2024 / C/10/682655 / KG ZA 24-699</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2024:7050:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Kort geding. Afgifte kind, dwangsom en proceskosten. Vrouw is het niet eens met het vonnis waarin aan de man vervangende toestemming is verleend voor een vakantie met de minderjarigen. Indien de vrouw wijziging van dit vonnis wil, ligt daarvoor de route van hoger beroep open. Voor zover ze heeft bedoeld te vorderen dat de tenuitvoerlegging van het vonnis geschorst wordt omdat ze in hoger beroep wil, oordeelt de voorzieningenrechter dat het belang van de man bij tenuitvoerlegging van het vonnis zwaarder weegt dan haar belang bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door haar ingestelde rechtsmiddel is beslist. Vordering tot afgifte van de minderjarige voor een vakantie met de man, onder verbeurte van een dwangsom, wordt toegewezen. Vorderingen van de vrouw afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten. Samenhang met C/10/681040.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2024:7050:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="9e28442a-8ef5-4455-a764-aef3f85e80aa" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="64465438-192a-4548-bee1-484d170de7dd" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team familie</para>
      <para>Zittingsplaats Rotterdam</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer / rolnummer: C/10/682655 / KG ZA 24-699</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing in kort geding van 17 juli 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [naam man]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>eiser in conventie</para>
      <para>verweerder in reconventie, hierna: de man,</para>
      <para>advocaat mr. L.J.W. van Kesteren te Zoetermeer,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [naam vrouw]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>gedaagde in conventie,</para>
      <para>eiseres in reconventie, hierna: de vrouw,</para>
      <para>advocaat mr. I.M. van der Drift te Delft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de op 16 juli 2024 betekende dagvaarding met bijlagen van de man;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie van de vrouw van 17 juli 2024;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het bericht van de man van 16 juli 2024;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie van antwoord in reconventie met bijlage van de man, ingekomen op 17 juli 2024.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 17 juli 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de man, bijgestaan door zijn advocaat;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de vrouw.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter heeft tijdens de mondelinge behandeling mondeling uitspraak gedaan, waarvan op grond van artikel 29a lid 5 en 6 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) deze schriftelijke uitwerking is opgemaakt.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Partijen zijn de ouders van de minderjarigen:</para>
        <para>
          <emphasis role="bold">
            [minderjarige 1]
          </emphasis>, geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats] (hierna: [voornaam minderjarige 1] ) en </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">
            [minderjarige 2]
          </emphasis>, geboren op [geboortedatum 2] 2018 te [geboorteplaats] (hierna: [voornaam minderjarige 2] ).</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De man heeft de minderjarigen erkend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Partijen oefenen het ouderlijk gezag over de minderjarigen gezamenlijk uit.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Bij mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter in deze rechtbank van 9 juli 2024 is aan de man vervangende toestemming verleend om met [voornaam minderjarige 2] op vakantie te gaan naar Frankrijk in de periode vanaf 18 juli tot en met uiterlijk 27 juli 2024. Ten aanzien van [voornaam minderjarige 1] heeft de vrouw zelf toestemming verleend voor de vakantie.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil in conventie en in reconventie</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De man vordert – samengevat – de vrouw te bevelen tot afgifte van [voornaam minderjarige 2] aan de man op 18 juli 2024 om 4:00 uur, onder verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- indien zij in gebreke mocht blijven aan dit bevel te voldoen. Ook vordert hij de vrouw te veroordelen in de proceskosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>De vrouw voert gemotiveerd verweer. In reconventie vordert zij </para>
      <para>- primair: </para>
      <para>voorwaardelijk, voor het geval de vordering van de man tot afgifte van de minderjarige wordt toegewezen, te bepalen dat de vrouw [voornaam minderjarige 2] op 23 of 24 juli 2024 zal ophalen op het vakantieadres waar de man zich op dat moment met [voornaam minderjarige 2] bevindt;</para>
      <para>- subsidiair: </para>
      <para>voorwaardelijk, in de situatie dat aan haar een dwangsom wordt opgelegd door de voorzieningenrechter, de man te veroordelen [voornaam minderjarige 2] uiterlijk op 27 juli 2024 tussen 20:00 en 21:00 uur bij de vrouw te brengen, onder verbeurte van een dwangsom van hetzelfde bedrag als dat aan de vrouw is opgelegd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling in conventie en in reconventie</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Spoedeisend belang</emphasis>
      </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>4.1.1.</nr>
        <para>Gelet op het feit dat de voorgenomen vakantie van de man met de minderjarigen aanvangt op 18 juli 2024, is het spoedeisend belang van de vorderingen (zowel in conventie als in reconventie) een gegeven. De voorzieningenrechter zal dan ook overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen.</para>
        <para />
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Inhoudelijke beoordeling</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Vordering man</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <paragroup>
        <nr>4.2.1.</nr>
        <para>De man legt aan zijn vordering in conventie tot afgifte van [voornaam minderjarige 2] onder verbeurte van een dwangsom ten grondslag dat de vrouw heeft aangegeven [voornaam minderjarige 2] niet af te zullen geven als de man haar komt ophalen op 18 juli 2024 om op vakantie te gaan. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.2.2.</nr>
        <para>Op grond van artikel 812 van het Rv geeft iedere beschikking (in dit geval: vonnis) betreffende de gezagsuitoefening over minderjarigen degene aan wie deze minderjarigen ingevolge het vonnis tijdelijk of blijvend worden toevertrouwd, van rechtswege het recht tot het aan hem doen afgeven van deze minderjarigen<emphasis role="italic">. </emphasis></para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.2.3.</nr>
        <para>De voorzieningenrechter overweegt dat bij vonnis van 9 juli 2024 aan de man vervangende toestemming is verleend om met [voornaam minderjarige 2] op vakantie te gaan naar Frankrijk vanaf 18 juli tot en met 27 juli 2024. Over [voornaam minderjarige 1] hebben partijen afgesproken dat hij mee gaat op vakantie. De minderjarigen zijn in genoemde periode dan ook (tijdelijk) aan de man toevertrouwd, zodat aan hem van rechtswege het recht op afgifte van [voornaam minderjarige 2] (en [voornaam minderjarige 1] ) toekomt. Volgens vaste rechtspraak sluit dit recht op afgifte van de man niet uit dat hij daarnaast in kort geding een dwangbevel kan vorderen onder verbeurte van een dwangsom. Gelet op de voorgenomen vakantie van de man met de minderjarigen die morgen, op 18 juli 2024, aanvangt, heeft de man er belang bij dat de vrouw ertoe wordt bewogen [voornaam minderjarige 2] af te geven aan hem. De voorzieningenrechter zal de vordering tot het bevelen van de vrouw tot afgifte van [voornaam minderjarige 2] aan de man dan ook toewijzen. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.2.4.</nr>
        <para>Gelet op de weigerachtige houding van de vrouw ten aanzien van de vakantie en het recent gewezen vonnis, heeft de voorzieningenrechter er geen vertrouwen in dat de vrouw het bevel tot afgifte zal nakomen zonder dwangmiddel. Hoewel de vrouw heeft aangegeven tijdens de mondelinge behandeling dat ook met een dwangsom zij niet zal meewerken, acht de voorzieningenrechter een dwangsom aangewezen om desondanks te garanderen dat [voornaam minderjarige 2] met de man op vakantie kan. De voorzieningenrechter zal de door de man gevorderde dwangsom dan ook toewijzen.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Vorderingen vrouw</emphasis>
          </para>
        </parablock>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.2.5.</nr>
        <para>Nu de vordering van de man tot afgifte van de minderjarige wordt toegewezen, komt de voorzieningenrechter toe aan de primaire, voorwaardelijke vordering in reconventie van de vrouw. Daaraan heeft zij – kort samengevat – ten grondslag gelegd dat het niet in het belang van [voornaam minderjarige 2] is dat zij gedurende tien dagen op vakantie gaat met de man, omdat hij en [voornaam minderjarige 2] nog geen hechtings- en vertrouwensband hebben doordat hij lange tijd uit beeld is geweest. De vrouw wil [voornaam minderjarige 2] dan ook eerder ophalen in Frankrijk. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.2.6.</nr>
        <para>De voorzieningenrechter begrijpt dat de vrouw een wijziging wil van het eerdere vonnis, namelijk dat zij [voornaam minderjarige 2] eerder op kan halen uit Frankrijk. Daarmee probeert zij in feite het vonnis te bestrijden, terwijl daarvoor de route van hoger beroep openligt. Daarop stuit deze vordering af. Voor zover de vrouw heeft bedoeld te vorderen dat de tenuitvoerlegging van het vonnis geschorst wordt en dat ze in hoger beroep wil, geldt het volgende.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.2.7.</nr>
        <para>Uitgangspunt is dat een uitgesproken vonnis, in afwachting van een eventuele hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de vrouw bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door haar ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen (in dit geval: de man), bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>Bij de toepassing van de hiervoor genoemde maatstaf in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.2.8.</nr>
        <para>De man gaat morgen op vakantie. De voorzieningenrechter heeft in zijn vonnis overwogen dat een vakantie in het belang van [voornaam minderjarige 2] is. Ook heeft de voorzieningenrechter meegewogen dat er langere tijd geen contact is geweest tussen de man en zijn dochter, maar dat het desondanks goed zou zijn als ze samen, met onder meer [voornaam minderjarige 1] , op vakantie gaan. Daarom heeft de man een groter belang bij de tenuitvoerlegging van het vonnis, ook omdat dit in het belang van [voornaam minderjarige 2] is.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.2.9.</nr>
        <para>De vordering van de vrouw wordt op dit punt dus ook afgewezen. Dan blijft over de vraag of er aanleiding is om een dwangsom op te leggen aan de man. Hieraan heeft de vrouw ten grondslag gelegd dat zij van de man heeft vernomen dat hij van plan is later terug te komen van vakantie dan waarvoor hij toestemming heeft van de voorzieningenrechter. De man heeft dit gemotiveerd betwist. De voorzieningenrechter acht het op basis van de gemotiveerde betwisting door de man onaannemelijk dat hij [voornaam minderjarige 2] (en [voornaam minderjarige 1] ) een dag langer bij zich houdt dan waarvoor de vervangende toestemming van de voorzieningenrechter strekt. Daarom zal ook deze vordering worden afgewezen.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.2.10.</nr>
        <para>Het voorgaande betekent dus dat de vordering van de man over de afgifte van [voornaam minderjarige 2] en de daaraan verbonden dwangsom in conventie worden toegewezen en de vorderingen in reconventie van de vrouw worden afgewezen.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Proceskosten</emphasis>
      </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>4.3.1.</nr>
        <para>De man vordert veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.3.2.</nr>
        <para>Uitgangspunt in familiezaken is, in verband met de verhouding van partijen, dat de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De voorzieningenrechter ziet echter aanleiding om af te wijken van dit uitgangspunt, omdat hij van oordeel is dat de man door toedoen van de vrouw nodeloos heeft moeten procederen. De vrouw heeft de man op kosten gejaagd door aan te geven dat zij het vonnis van 9 juli j.l. niet gaat opvolgen. De voorzieningenrechter zal de vordering van de man dan ook toewijzen en de vrouw veroordelen in de proceskosten. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.3.3.</nr>
        <para>De proceskosten worden aan de zijde van de man begroot op:</para>
        <itemizedlist mark="-">
          <listitem>
            <para>kosten betekening en oproeping			€ 136,72          </para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>griffierecht					€ 320,-</para>
          </listitem>
          <listitem>
            <para>
              <emphasis role="underline">salaris advocaat volgens het liquidatietarief		€ 715,-</emphasis>
            </para>
          </listitem>
        </itemizedlist>
        <para>Totaal						€ 1.171,72</para>
        <para />
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para>De voorzieningenrechter</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>beveelt de vrouw de minderjarige [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2018 te [geboorteplaats] , na betekening van dit vonnis en uiterlijk op 18 juli 2024 om 4:00 uur af te geven aan de man;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>bepaalt dat de vrouw een dwangsom verbeurt van € 10.000,- indien zij niet aan het bepaalde in rechtsoverweging 5.1. voldoet;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>veroordeelt de vrouw tot betaling van de proceskosten aan de zijde van de man begroot op € 1.171,72;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. E.M. Moerman en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2024 en op diezelfde datum uitgewerkt.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>