<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2024:675</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-02-15T16:03:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-02-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-01-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/10/671454 / KG ZA 24-6</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#kortGeding">Kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:675">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:675</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-02-15T16:02:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-02-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2024:675 Rechtbank Rotterdam , 30-01-2024 / C/10/671454 / KG ZA 24-6</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2024:675:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Kort geding. Ontruiming. Gedeeltelijke toewijzing. Verstek. Vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2024:675:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
<uitspraak.info>
<para>
<inlinemediaobject>
<imageobject>
<imagedata align="center" depth="2" fileref="ed2a4620-d65c-4ceb-8df3-891311bf5185" format="image/png" scale="100" width="13" />
</imageobject>
</inlinemediaobject>
<inlinemediaobject>
<imageobject>
<imagedata align="center" depth="2" fileref="f0c5e3e8-e03a-4100-865f-83eb680b1211" format="image/png" scale="100" width="523" />
</imageobject>
</inlinemediaobject>
vonnis
</para>
<bridgehead role="bold">
RECHTBANK ROTTERDAM
</bridgehead>
<para />
<parablock>
<para>
Team handel en haven
</para>
</parablock>
<para />
<para />
<parablock>
<para>
zaaknummer / rolnummer: C/10/671454 / KG ZA 24-6
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="bold">
Vonnis in kort geding van 30 januari 2024
</emphasis>
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
in de zaak van
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="bold">
[eiser01]
</emphasis>
,
</para>
<para>
woonplaats: Rotterdam,
</para>
<para>
eiser,
</para>
<para>
advocaat mr. S.N. Nasrullah te ‘s-Gravenhage,
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
tegen
</para>
</parablock>
<para />
</uitspraak.info>
<section>
<title>
<nr>
1
</nr>
[gedaagde01] ,
</title>
<parablock>
<para>
2.
<emphasis role="bold">
[gedaagde02]
</emphasis>
,
</para>
<para>
woonplaats: Rotterdam,
</para>
<para>
gedaagden,
</para>
<para>
die niet zijn verschenen.
</para>
</parablock>
<para />
<para />
<parablock>
<para>
De partijen worden hierna [eiser01] en [gedaagde partij01] genoemd.
</para>
</parablock>
<para />
<para />
</section>
<section>
<title>
<nr>
1
</nr>
De procedure
</title>
<paragroup>
<nr>
1.1.
</nr>
<para>
Het verloop van de procedure blijkt uit:
</para>
<itemizedlist mark="-">
<listitem>
<para>
de dagvaardingen van 10 januari 2024, met bijlagen 1 tot en met 6;
</para>
</listitem>
<listitem>
<para>
de brief van [eiser01] , met bijlagen 7 en 8;
</para>
</listitem>
<listitem>
<para>
de mondelinge behandeling op 22 januari 2024.
</para>
</listitem>
</itemizedlist>
<para />
<para />
</paragroup>
</section>
<section role="overwegingen">
<title>
<nr>
2
</nr>
De beoordeling
</title>
<bridgehead role="italic">
Waar gaat de zaak over?
</bridgehead>
<paragroup>
<nr>
2.1.
</nr>
<parablock>
<para>
[gedaagde partij01] huurt sinds juni 2022 de woning aan het adres [adres01] in [plaats01] van [eiser01] . De huurprijs bedraagt € 1.000,00 per maand. Volgens [eiser01] betaalt [gedaagde partij01] sinds 1 juli 2023 geen huur zodat sprake is van een huurachterstand van € 7.000,00. In deze zaak eist [eiser01] daarom – samengevat weergegeven – dat [gedaagde partij01] wordt veroordeeld om de woning te ontruimen en dat [gedaagde partij01] wordt veroordeeld om de huurachterstand (met wettelijke rente, een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en toekomstige huur) aan [eiser01] te betalen. Volgens [eiser01] heeft hij spoedeisend belang bij deze eisen, omdat hij financieel ernstig in het gedrang komt door de inmiddels maandenlange wanbetaling van [gedaagde partij01] [eiser01] wil de woning zo snel mogelijk aan een ander kunnen verhuren.
</para>
<para>
<emphasis role="italic">
Verstekverlening tegen [gedaagde partij01]
</emphasis>
</para>
</parablock>
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
2.2.
</nr>
<para>
De voorzieningenrechter verleent verstek tegen [gedaagde partij01]  is namelijk niet verschenen tijdens de mondelinge behandeling op 22 januari 2024, terwijl bij de oproeping van [gedaagde partij01] in deze zaak alle wettelijke termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen.
</para>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="italic">
De eis van [eiser01] wordt grotendeels toegewezen
</emphasis>
</para>
</parablock>
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
2.3.
</nr>
<para>
De eis van [eiser01] komt de voorzieningenrechter niet ongegrond of onrechtmatig voor. Daarom wordt die eis toegewezen, met dien verstande dat de ontruimingstermijn op veertien dagen na betekening van dit vonnis wordt gesteld en met uitzondering van de door [eiser01] geëiste veroordeling van [gedaagde partij01] om aan hem een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten te betalen. [eiser01] heeft namelijk pas recht op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten als een brief is gestuurd waarin [gedaagde partij01] de kans heeft gekregen om binnen vijftien dagen na ontvangst van die brief alsnog zonder extra kosten te betalen.
<footnote-ref linkend="_539dce98-9237-4901-b83e-abec7219df14" />
In de brieven die aan [gedaagde partij01] zijn gestuurd,
<footnote-ref linkend="_6336dee5-42e8-4420-ae21-5c1471ef2413" />
staat echter een uiterste betaaldatum terwijl niet vast staat dat [gedaagde partij01] die brieven vijftien dagen daarvoor heeft ontvangen.
<footnote-ref linkend="_b2d9448b-8e38-4778-ac8b-0c214e18ff09" />
De brieven voldoen dus niet aan de wet.
</para>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="italic">
[gedaagde partij01] moet de proceskosten van [eiser01] betalen
</emphasis>
</para>
</parablock>
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
2.4.
</nr>
<para>
[gedaagde partij01] moet de proceskosten betalen, omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt.
<footnote-ref linkend="_705103b7-076f-4924-b252-10ab4683b3d6" />
De voorzieningenrechter begroot deze kosten aan de kant van [eiser01] op € 290,38 aan dagvaardingskosten, € 1.325,00 aan griffierecht, € 697,00 aan salaris advocaat en € 173,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 2.485,38. Hier kan nog een bedrag van € 90,00 bijkomen als dit vonnis wordt betekend.
</para>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="italic">
Uitvoerbaarheid bij voorraad
</emphasis>
</para>
</parablock>
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
2.5.
</nr>
<para>
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
<footnote-ref linkend="_ecc3c21c-b5fa-4584-8d33-6b7f73448987" />
</para>
<para />
<para />
</paragroup>
</section>
<section role="beslissing">
<title>
<nr>
3
</nr>
De beslissing
</title>
<para />
<parablock>
<para>
De voorzieningenrechter:
</para>
</parablock>
<para />
<paragroup>
<nr>
3.1.
</nr>
<para>
veroordeelt [gedaagde partij01] hoofdelijk om aan [eiser01] te betalen € 7.000,00 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf de dag waarop iedere individuele huurtermijn verschuldigd was tot de dag dat volledig is betaald;
</para>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
3.2.
</nr>
<para>
veroordeelt [gedaagde partij01] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning aan het adres [adres01] in [plaats01] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde partij01] bevinden en de woning met alle sleutels ter beschikking van [eiser01] te stellen;
</para>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
3.3.
</nr>
<para>
veroordeelt [gedaagde partij01] hoofdelijk om vanaf de maand februari 2024 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt aan [eiser01] te betalen € 1.000,00 per maand;
</para>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
3.4.
</nr>
<para>
veroordeelt [gedaagde partij01] hoofdelijk in de proceskosten, die aan de kant van [eiser01] worden begroot op € 2.485,38;
</para>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
3.5.
</nr>
<para>
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
</para>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
3.6.
</nr>
<para>
wijst al het andere af.
</para>
<para />
<para />
<parablock>
<para>
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2024.
</para>
<para>
3349 / 2009
</para>
</parablock>
</paragroup>
</section>
<footnote id="_539dce98-9237-4901-b83e-abec7219df14" label="1">
<para>
Artikel 6:96 lid 6 van het Burgerlijk Wetboek.
</para>
</footnote>
<footnote id="_6336dee5-42e8-4420-ae21-5c1471ef2413" label="2">
<para>
Bijlagen 4 en 6 bij de dagvaardingen.
</para>
</footnote>
<footnote id="_b2d9448b-8e38-4778-ac8b-0c214e18ff09" label="3">
<para>
Hoge Raad 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704.
</para>
</footnote>
<footnote id="_705103b7-076f-4924-b252-10ab4683b3d6" label="4">
<para>
Artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
</para>
</footnote>
<footnote id="_ecc3c21c-b5fa-4584-8d33-6b7f73448987" label="5">
<para>
Artikel 258 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
</para>
</footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>