<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2024:6010</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-07-08T15:28:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-07-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-07-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11006900</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Dordrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:6010">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:6010</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-07-08T09:25:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-07-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2024:6010 Rechtbank Rotterdam , 04-07-2024 / 11006900</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2024:6010:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Broer heeft geld op de rekening van zijn zus gestort en een auto betaald die op haar naam staat. Broer zegt dat het leningen zijn (artikel 7:129 BW). Zus betwist dat. Zus krijgt gelijk. Grondslag ongerechtvaardigde verrijking is verjaard (artikel 6:212 en 3:310 BW).</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2024:6010:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Dordrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 11006900 / CV EXPL 24-1377</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>datum uitspraak: 4 juli 2024</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van de kantonrechter</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis>,</para>
      <para>woonplaats: [woonplaats 1],</para>
      <para>eiser,</para>
      <para>gemachtigde: mr. M.M.J. Bos,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>,</para>
      <para>woonplaats: [woonplaats 2],</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>gemachtigde: mr. M.R. Dill.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding van 18 maart 2024, met 5 bijlagen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het antwoord, met 5 bijlagen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>nadere bijlagen 6, 7 en 8 van [eiser];</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>nadere bijlage 6 van [gedaagde].</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Op 24 juni 2024 is de zaak tijdens een zitting besproken met de partijen en hun gemachtigden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is er gebeurd?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiser] en [gedaagde] zijn broer en zus. [eiser] heeft in september 2016 € 2.000,00 overgemaakt naar de rekening van [gedaagde] en in februari 2017 een auto op naam van [gedaagde] gekocht voor € 15.704,00. [eiser] vordert dat [gedaagde] beide bedragen nu terug betaalt, omdat het leningen waren. [gedaagde] betwist dit. </para>
        <para>
          [gedaagde] hoeft niets terug te betalen aan [eiser]. Hierna wordt dit oordeel uitgelegd. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Er bestaat geen leningsovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] voor € 2.000,00 (artikel 7:129 BW)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft weliswaar in september 2016 € 2.000,00 overgemaakt naar de bankrekening van [gedaagde], maar [eiser] heeft onvoldoende onderbouwd dat dit een lening was. [gedaagde] betwist dit namelijk en verklaart daarbij dat er vaker geld heen en weer ging tussen de partijen. Dat ging op informele manier, omdat partijen goed met elkaar omgingen, met elkaar op vakantie gingen en [eiser] bijna dagelijks bij [gedaagde] thuis kwam. Ook werkte de ex-partner van [gedaagde] samen met [eiser]. [gedaagde] onderbouwt een en ander met whatsapp berichten van begin april 2016, waaruit blijkt van gesprekken over het (door)betalen van een bedrag door [eiser] aan [gedaagde]. Dit ging ook niet over een lening. [eiser] betwist dit allemaal niet. Hij weet zelf ook niet waarom en waarvoor hij in september het bedrag van € 2.000,00 aan [gedaagde] heeft betaald. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft op de zitting nog verklaard dat hij niet zelf heeft bedacht om geld over te maken aan [gedaagde], maar ‘dat zij daar toen om heeft gevraagd en dat hij het toen gewoon heeft gedaan’. Hij heeft het overgemaakt ‘omdat het zijn zus is en om haar te helpen, in het vertrouwen dat het wel terug zou komen’. Hieruit blijkt niet dat het destijds voor [gedaagde] duidelijk was dat het wat [eiser] betreft om een lening zou gaan en ook niet dat zij het geld als een lening heeft geaccepteerd (artikel 3:33 BW). Bij de bankoverschrijving staat geen omschrijving, dus daaruit heeft [gedaagde] ook niet kunnen opmaken dat de betaling een lening was. [eiser] heeft geen andere feiten aangevoerd op basis waarvan dat wel zou kunnen worden geoordeeld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Tegen deze achtergrond kan niet worden vastgesteld dat de grondslag voor de betaling een leningsovereenkomst was. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Er is geen geldleningsovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] voor € 15.704,00</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft onvoldoende onderbouwd dat hij de auto van [gedaagde] heeft betaald als geldlening aan [gedaagde]. De auto staat weliswaar op naam van [gedaagde], zij rijdt erin en betaalt de verzekering en belasting, maar zij betwist dat zij geld van [eiser] heeft geleend voor de aanschaf van de auto. Dat blijkt ook niet uit de door [eiser] gestelde feiten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>
        [eiser] verklaart dat de ex-partner van [gedaagde] hem heeft gevraagd om de auto voor te schieten, maar dat maakt niet zonder meer dat er een geldleningsovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] tot stand is gekomen. Zij verklaart dat zij ‘van niets wist’ en uit de feiten blijkt niet dat dat wel het geval was. Volgens [gedaagde] regelde haar ex-partner altijd haar auto’s, soms in overleg en samenspraak met [eiser]. Dat betwist [eiser] niet. Daarom heeft [gedaagde] niet hoeven te begrijpen dat zij met het accepteren van de auto een geldleningsovereenkomst met [eiser] aanging.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>
        [eiser] verklaart dat hij denkt dat [gedaagde] op het moment van de koop van de auto daar geen geld voor had en dat hij daarom de auto heeft betaald. Dat betekent echter niet dat er sprake is van een geldleningsovereenkomst. Dat moet je namelijk met elkaar afspreken. Volgens [eiser] is het logisch dat het een lening is, omdat het een hoog bedrag is. Dat kan echter even goed andersom uitgelegd worden: omdat het een hoog bedrag is, was het logisch geweest om daar (schriftelijke) afspraken over te maken. [eiser] heeft onvoldoende uitgelegd dat, waar, hoe en met wie er concrete afspraken zijn gemaakt over de betaling van de auto. Uit wat hij hierover heeft verklaard, kan niet worden afgeleid dat er sprake is van een geldleningsovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde]. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De eis op de grondslag van ongerechtvaardigde verrijking van [gedaagde] is verjaard</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>De eis op deze grondslag is verjaard (artikel 6:212 BW). [eiser] eist schadevergoeding en voor die vordering geldt een verjaringstermijn van vijf jaar vanaf de datum dat de vordering bekend is (artikel 3:310 BW). Dat is op het moment van de betalingen in respectievelijk september 2016 en februari 2017. Sindsdien is ruim 7 jaar verstreken, zodat de vordering op deze grondslag is verjaard. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [gedaagde] hoeft niets aan [eiser] te betalen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>
        [gedaagde] hoeft dus niets aan [eiser] te betalen, omdat niet vast staat dat zij geld van hem heeft geleend. Er is niet beoordeeld of [gedaagde] ongerechtvaardigd is verrijkt, omdat de eis op deze grondslag is verjaard. Dat betekent dat [eiser] op die grond geen betaling van [gedaagde] meer kan afdwingen, afgezien van de vraag of er sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [eiser] moet de proceskosten betalen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <para>
        [eiser] moet de proceskosten betalen, omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van [gedaagde] op € 678,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 339,00) en € 135,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 813,00. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11.</nr>
      <para>Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [gedaagde] dat ten aanzien van de proceskostenveroordeling eist en [eiser] daar niet op heeft gereageerd (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als [eiser] aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para>De kantonrechter:</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>wijst alle eisen af;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 813,00;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. W.P.M. Jurgens en in het openbaar uitgesproken.</para>
        <para>703</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>