<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2024:4481</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-05-21T08:59:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-05-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-05-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10090924 CV EXPL 22-27811</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:4481">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:4481</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-05-21T08:58:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-05-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2024:4481 Rechtbank Rotterdam , 10-05-2024 / 10090924 CV EXPL 22-27811</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2024:4481:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verdeling gemeenschapsvermogen VOF.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2024:4481:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Rotterdam</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 10090924 CV EXPL 22-27811</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>datum uitspraak: 10 mei 2024</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van de kantonrechter</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [persoon A]
        </emphasis>, </para>
      <para>woonplaats: Schiedam,</para>
      <para>eiser in conventie, </para>
      <para>verweerder in reconventie,</para>
      <para>gemachtigde: aanvankelijk mr. M. Leung, vervolgens de heer [naam gemachtigde] , daarna <?linebreak?>mr. C. Hilferink en thans (weer) de heer [naam gemachtigde] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [persoon B]
        </emphasis>,</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">(mede) handelend onder de naam [handelsnaam]</emphasis>,</para>
      <para>woonplaats: Rotterdam,</para>
      <para>verweerder in conventie,</para>
      <para>eiser in reconventie,</para>
      <para>gemachtigde: mr. S. Ramautar. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De partijen worden hierna ‘ [persoon A] ’ en ‘ [persoon B] ’ genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het tussenvonnis van 24 november 2023 en de daarin genoemde stukken;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de schriftelijke reactie van [persoon A] , met producties 1 en 2;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de akte van [persoon B] , tevens wijziging van eis in reconventie, met productie 6;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de schriftelijke reactie van [persoon A] , met producties 1 tot en met 4. </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De verdere beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat de zaak (nog) over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">In conventie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Het gaat in deze zaak om de verdeling van het gemeenschapsvermogen van de VOF, meer in het bijzonder over de vraag op welk bedrag [persoon A] in het kader van die verdeling nog recht heeft. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>In het tussenvonnis is geoordeeld dat de als productie 4 bij dagvaarding overgelegde berekening van de verdeling van de bezittingen en schulden van de VOF als uitgangspunt wordt genomen voor de verdere beoordeling, maar dat hierbij nog rekening moet worden gehouden met de inbreng van de vennoten als schuld van de VOF zoals bedoeld in artikel 3 lid 5 van de VOF-overeenkomst. </para>
        <para>Daarnaast is in het tussenvonnis vermeld dat [persoon B] in zijn conclusie van antwoord onder randnummer 6 een eigen berekening heeft gemaakt aan de hand van de gegevens van productie 4 bij dagvaarding. [persoon B] heeft in zijn berekening voor de hoogte van de inbreng van de vennoten het saldo van iedere vennoot onder het kopje “Rekening Courant” van productie 4 bij dagvaarding gehanteerd ( [persoon B] € 22.043,47, [persoon A] € 5.493,55 en [persoon C] € 1.544,29). [persoon B] heeft het onder de vennoten te verdelen vermogen van <?linebreak?>€ 15.603,72, over welk bedrag partijen het eens zijn, vervolgens naar rato van de inbreng van iedere vennoot verdeeld ( [persoon B] 75,8%, [persoon A] 18,9% en [persoon C] 5,3%). Uit deze berekening volgt dat [persoon A] volgens [persoon B] nog recht heeft op een bedrag van <?linebreak?>€ 2.947,59.  </para>
        <para>
          [persoon A] is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de berekening van [persoon B] onder randnummer 6 van de conclusie van antwoord.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>In zijn voormelde schriftelijke reacties heeft [persoon A] meegedeeld dat hij de berekening van [persoon B] tot op zekere hoogte kan volgen, maar dat hij het niet eens is met het door [persoon B] gehanteerde percentage van 18,9% (naar rato van de inbreng van [persoon A] ). [persoon A] vindt dat zijn inbreng op 33,3% moet worden gewaardeerd en dat hij daarom recht heeft op een bedrag van € 5.193,37. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [persoon A] heeft recht op een bedrag van € 2.947,59</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <parablock>
        <para>De kantonrechter stelt vast dat [persoon A] niet heeft betwist dat zijn inbreng <?linebreak?>€ 5.493,55 (en dus 18,9% van de totale inbreng van de vennoten) bedraagt. Het gaat alleen nog om de vraag op welke wijze deze inbreng in de verdeling van productie 4 bij dagvaarding als schuld van de VOF moet worden betrokken. De verdeling naar rato van de inbreng van iedere vennoot, zoals [persoon B] in zijn berekening heeft gedaan, vindt steun in artikel 3 lid 3 van de overeenkomst. In dat artikel is bepaald dat elke vennoot voor zijn inbreng in geld op zijn kapitaalrekening wordt gecrediteerd ter hoogte van deze inbreng. </para>
        <para>In de overeenkomst zijn geen aanknopingspunten te vinden die de stelling van [persoon A] kunnen ondersteunen dat bij de verdeling van de bezittingen en schulden iedere vennoot recht heeft op 1/3 deel van de totale inbreng (als schuld van de VOF). </para>
        <para>Dit betekent dat de kantonrechter uitgaat van de berekening van [persoon B] , zodat [persoon A] nog recht heeft op een bedrag van € 2.947,59.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">In reconventie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [persoon B] heeft recht op een bedrag van € 10.666,67</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>In het tussenvonnis is al geoordeeld dat de vordering van [persoon B] van <?linebreak?>€ 10.666,67 toewijsbaar is. De kantonrechter gaat dan ook voorbij aan hetgeen door [persoon A] in zijn voormelde schriftelijke reacties hierover nog is aangevoerd. De kantonrechter overweegt nog wel dat de door [persoon A] overgelegde e-mail van [persoon D] van <?linebreak?>17 augustus 2020 juist bevestigt dat [persoon A] op grond van artikel 6:10 lid 2 BW hoofdelijk aansprakelijk is voor de huurschuld tot een bedrag van € 10.666,67. [persoon D] heeft in deze e-mail onder de zesde bullet expliciet meegedeeld dat de vennoten tijdens de duur van de afgesloten contracten hoofdelijk aansprakelijk blijven.  </para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">In conventie en reconventie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Per saldo moet [persoon A] een bedrag van € 7.719,08 aan [persoon B] betalen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Het door [persoon B] aan [persoon A] te betalen bedrag van € 2.947,59 wordt verrekend met het door [persoon A] aan [persoon B] te betalen bedrag van € 10.666,67. Dit betekent dat [persoon A] nog een bedrag van € 7.719,08 aan [persoon B] is verschuldigd en dat [persoon B] niets meer aan [persoon A] is verschuldigd. De vordering in conventie zal daarom worden afgewezen en de vordering in reconventie wordt toegewezen tot € 7.719,08. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Rente en buitengerechtelijke incassokosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <parablock>
        <para>Omdat de vordering van [persoon A] wordt afgewezen, bestaat geen grond voor de gevorderde rente en incassokosten. Deze vorderingen worden daarom afgewezen. </para>
        <para>De door [persoon B] gevorderde wettelijke handelsrente wordt als onweersproken toegewezen over de toewijsbare hoofdsom van € 7.719,08 en vanaf de dag van indiening van de conclusie van eis in reconventie (16 november 2022).</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [persoon A] moet de proceskosten betalen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [persoon A] moet de proceskosten betalen, omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). [persoon B] heeft gevorderd om [persoon A] te veroordelen in de daadwerkelijke kosten van deze procedure van (na wijziging van eis) € 3.750,- exclusief btw. In het algemeen geldt dat voor toewijzing van daadwerkelijke proceskosten bijzondere omstandigheden zijn vereist. Daarvan kan sprake zijn bij misbruik van procesrecht of wanneer het instellen van een vordering of het voeren van verweer, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, onrechtmatig handelen oplevert. De lat ligt dus hoog. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is hier geen sprake. De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding voor een volledige proceskostenveroordeling. Deze vordering wordt dan ook afgewezen. </para>
        <para>De kantonrechter begroot de proceskosten in conventie aan de kant van [persoon B] op <?linebreak?>€ 847,50 aan salaris voor de gemachtigde (2,5 punten x € 339,-). In reconventie worden deze kosten aan de kant van [persoon B] begroot op € 169,50 aan salaris voor de gemachtigde (1/2 x 1 punt x € 339,-). Voor kosten die [persoon B] maakt na deze uitspraak moet [persoon A] een bedrag betalen van € 135,-. Dat is in totaal € 1.152,-. Hier kan nog een bedrag bijkomen als dit vonnis wordt betekend. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [persoon B] dat eist en [persoon A] daar niet op heeft gereageerd (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para>De kantonrechter:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">in conventie:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>wijst de vordering van [persoon A] af;</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">in reconventie:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>veroordeelt [persoon A] om aan [persoon B] te betalen € 7.719,08, met de wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 16 november 2022 tot de dag dat volledig is betaald;</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">in conventie en reconventie:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>veroordeelt [persoon A] in de proceskosten, die aan de kant van [persoon B] worden begroot op € 1.152,-; </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>wijst al het andere af.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. drs. D.L. Spierings en in het openbaar uitgesproken.</para>
        <para>764</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>