<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2024:4296</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-05-17T11:05:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-05-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-05-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10764606 CV EXPL 23-28654</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#procesverbaal">Proces-verbaal</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:4296">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:4296</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-05-17T11:04:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-05-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2024:4296 Rechtbank Rotterdam , 12-05-2024 / 10764606 CV EXPL 23-28654</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2024:4296:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Proces-verbaal mondelinge uitspraak, geschil over hoogte betalingsverplichting.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2024:4296:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Rotterdam</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 10764606 CV EXPL 23-28654</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de kantonrechter op basis van artikel 29a lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op 12 april 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser] , </emphasis>die handelt onder de naam [naam autobedrijf] ,</para>
      <para>woonplaats: Rotterdam,</para>
      <para>eiser,</para>
      <para>gemachtigde: mr. J.F. van Dijk,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde] ,</emphasis>
      </para>
      <para>vestigingsplaats: Rotterdam,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>gemachtigde: mr. M.P.A. Roelands (AGIN Timmermans Gerechtsdeurwaarders).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De partijen worden ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter is mr. A.M. van Kalmthout en de griffier is mr. J. Ista.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aanwezig zijn:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>
          [eiser] met de gemachtigde;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Mevrouw [persoon A] (administratief medewerker) en de heer [persoon B] (statutair bestuurder) namens [gedaagde] , met mr. W. Kistemaker namens de gemachtigde.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>1</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat de zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Bij verstekvonnis van deze rechtbank van 15 februari 2018 (zaaknummer 6587061 \ CV EXPL 18-179, hierna ‘het verstekvonnis’) is [eiser] veroordeeld om € 4.536,56 met rente en kosten aan [gedaagde] te betalen. Volgens [eiser] heeft hij volledig aan zijn betalingsverplichting voldaan en zelfs € 920,77 teveel betaald. Bij dagvaarding eist hij terugbetaling van dit bedrag met rente en kosten en een verklaring voor recht dat hij volledig heeft voldaan aan het verstekvonnis. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>
        [gedaagde] is het niet eens met de eis. De berekening van [eiser] klopt niet en hij moet juist nog een bedrag aan haar betalen, aldus [gedaagde] . </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De uitkomst</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <parablock>
        <para>De eis wordt afgewezen. Hierna wordt toegelicht waarom.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Er staat nog een bedrag open, dus [eiser] heeft niet volledig aan het verstekvonnis voldaan</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft als productie 9 bij de dagvaarding een brief van 30 mei 2023 aan [gedaagde] overgelegd met een berekening. Op grond van die berekening komt hij uit op een door [gedaagde] aan hem terug te betalen bedrag van € 920,77. Tijdens de zitting is vastgesteld dat die berekening op twee punten onjuist is. Ten eerste is de door [eiser] gestelde dubbele betaling van een factuur van € 544,50 (op 21 augustus 2017 en 18 januari 2018) niet één keer, maar twee keer in mindering gebracht op het door hem verschuldigde bedrag. Ten tweede heeft [eiser] ten onrechte twee betalingen op 7 december 2017 (€ 544,50 en € 363,-) in mindering gebracht, terwijl deze bedragen in de eerdere procedure al in mindering waren gebracht op de hoofdsom. [eiser] heeft tijdens de zitting dan ook erkend dat hij, als hij daarmee rekening houdt, nog € 531,23 aan [gedaagde] verschuldigd is (€ 920,77 – € 544,50 – € 544,50 – € 363,-). Zowel de eis tot betaling van € 920,77 als de geëiste verklaring voor recht dat [eiser] volledig aan het verstekvonnis heeft gedaan, wordt daarom afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>De geëiste rente en overige bijkomende kosten worden eveneens afgewezen, omdat daar door het afwijzen van de hoofdsom geen grond voor bestaat. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [eiser] moet de proceskosten betalen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>
        [eiser] moet de proceskosten betalen, omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van [gedaagde] op € 270,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 135,-) en € 67,50 aan nakosten. Dat is in totaal € 337,50. Hier kan nog een bedrag bijkomen als dit vonnis wordt betekend. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>2</nr>De beslissing</title>
    <para>De kantonrechter:</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>wijst de eis van [eiser] af;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 337,50.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit proces-verbaal is op 23 april 2024 opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter.</para>
        <para>43416</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>