<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2024:4013</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-05-02T17:01:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-05-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-04-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10247783 \ CV EXPL 22-38704</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:4013">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:4013</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-05-02T16:59:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-05-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2024:4013 Rechtbank Rotterdam , 26-04-2024 / 10247783 \ CV EXPL 22-38704</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2024:4013:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Eindvonnis na prejudiciële vragen: 1. Kan huurder/verhuurder zich na een uitspraak van de voorzitter van de huurcommissie op grond van artikel 7:262 BW rechtstreeks tot de kantonrechter wenden zonder eerst in verzet te gaan bij de huurcommissie? en 2. Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt, binnen welke termijn moet huurder/ verhuurder zich dan na een voorzittersuitspraak tot de kantonrechter wenden?</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2024:4013:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Rotterdam</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 10247783 \ CV EXPL 22-38704</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>datum uitspraak: 26 april 2024</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van de kantonrechter</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiseres]
        </emphasis>, </para>
      <para>woonplaats: Rotterdam,</para>
      <para>eiseres, </para>
      <para>gemachtigde: M.P.A. Roelands van AGIN Timmermans Gerechtsdeurwaarders,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>, </para>
      <para>vestigingsplaats: Den Haag,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>vertegenwoordigd door: mr. H.A. Vreeburg van Metterwoon Vastgoed B.V. (beheerder).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het tussenvonnis van 19 mei 2023 en de daarin genoemde stukken;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het tussenvonnis van 23 juni 2023 en de daarin genoemde stukken, waarin de kantonrechter prejudiciële vragen aan de Hoge Raad heeft gesteld;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de ter griffie ingekomen prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 19 januari 2024 alsmede de daarin genoemde processtukken</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de rolbeslissing van 26 januari 2024, met als bijlage een afschrift van de beslissing van de Hoge Raad;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de brief van 26 februari 2024 aan de zijde van [gedaagde] ;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de akte van 27 februari 2024 aan de zijde van [eiseres] .</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De verdere beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is er gebeurd?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [eiseres] huurt van [gedaagde] een woning aan de [adres] in Rotterdam. De overeengekomen kale huurprijs bedroeg tot 1 juli 2022 € 831,54 per maand. Tussen partijen is een geschil ontstaan over de door [gedaagde] voorgestelde verhoging van de huurprijs per 1 juli 2022 naar € 889,71 per maand. [gedaagde] heeft daarom een verzoekschrift bij de huurcommissie ingediend met het verzoek de redelijkheid van voorgestelde huurverhoging te beoordelen. Op 24 oktober 2022 heeft de voorzitter van de huurcommissie geoordeeld dat de voorgestelde huurverhoging is toegestaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Tussen partijen is in geschil of [eiseres] zich, na de voorzittersuitspraak van de huurcommissie, tijdig rechtstreeks tot de kantonrechter heeft gewend. Daarnaast is in geschil of de huurprijs van de woning van [eiseres] inderdaad per 1 juli 2022 verhoogd had mogen worden met een inkomensafhankelijke opslag. Naar aanleiding van het eerste geschilpunt tussen partijen heeft de kantonrechter prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft deze vragen in zijn prejudiciële beslissing van 19 januari 2024 beantwoord. Partijen hebben zich hier vervolgens bij akte over mogen uitlaten. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Correctie vaststaande feiten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>In het tussenvonnis van 19 mei 2023 is in overweging 2.3. abusievelijk vermeld dat [eiseres] op 9 augustus 2022 een verzoekschrift bij de huurcommissie heeft ingediend met het verzoek de redelijkheid van de voorgestelde huurverhoging te beoordelen. Dat heeft [gedaagde] gedaan. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [eiseres] heeft tijdig verzet ingesteld</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>In zijn prejudiciële beslissing heeft de Hoge Raad de volgende vragen beantwoord:</para>
      <para />
      <para>1. Kan huurder/verhuurder zich na een uitspraak van de voorzitter van de huurcommissie op grond van art. 7:262 BW rechtstreeks tot de kantonrechter wenden zonder eerst in verzet te gaan bij de huurcommissie?</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Antwoord: “(…) <emphasis role="italic">Op grond van de hiervoor aanvaarde uitleg van art. 20 lid 8 UHW geldt het volgende.</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Een partij die het niet eens is met een voorzittersuitspraak heeft op grond van art. 20 lid 6 UHW de mogelijkheid om binnen drie weken na verzending van het afschrift van die uitspraak in verzet te gaan bij de huurcommissie, behoudens hetgeen hierna in 3.13 wordt overwogen. Nadat de huurcommissie uitspraak heeft gedaan kan een partij op de voet van art. 7:262 BW binnen acht weken nadat afschrift van die uitspraak is verzonden een beslissing van de kantonrechter vorderen over het punt waarover de huurcommissie om een uitspraak is gevraagd, ook indien de uitspraak van de huurcommissie inhoudt dat het verzet ongegrond wordt verklaard. Een partij kan echter ook ervoor kiezen om zich na de voorzittersuitspraak rechtstreeks op de voet van art. 7:262 BW tot de kantonrechter te wenden. Het antwoord op de eerste prejudiciële vraag luidt dus bevestigend.</emphasis> (…)”.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>2. Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt, binnen welke termijn moet huurder/ verhuurder zich dan na een voorzittersuitspraak tot de kantonrechter wenden?</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Antwoord: “(…) <emphasis role="italic">De partij die ervoor kiest zich na een voorzittersuitspraak rechtstreeks tot de kantonrechter te wenden, kan dit doen binnen de in art. 7:262 lid 1 BW genoemde termijn van acht weken, die in dat geval aanvangt na verzending van het afschrift van de voorzittersuitspraak (zie ook de hiervoor in 3.6 aangehaalde passage in de memorie van toelichting). De inhoud van een voorzittersuitspraak wordt derhalve niet geacht tussen partijen te zijn overeengekomen voordat acht weken na verzending van het afschrift daarvan ongebruikt zijn verstreken. Hiermee is ook de tweede prejudiciële vraag beantwoord. </emphasis>(…)”.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Kortom, uit de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad volgt dat [eiseres] zich na de uitspraak van de voorzitter van de huurcommissie rechtstreeks tot de kantonrechter kon wenden en voorts dat zij dat binnen acht weken na verzending van het afschrift van de voorzittersuitspraak diende te doen. De voorzittersuitspraak dateert van 24 oktober 2022. [eiseres] heeft op 13 december 2022, en derhalve tijdig, de onderhavige procedure bij de kantonrechter aanhangig gemaakt. [eiseres] is dan ook ontvankelijk in haar vorderingen. Dat [gedaagde] zich niet kan verenigen met deze beslissing van de Hoge Raad, maakt dit oordeel niet anders. De kantonrechter is namelijk gebonden aan de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad.<footnote-ref linkend="_18ddaa1b-3b86-4975-a76f-ed5042e72bdf" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Vernietiging van de uitspraak van de huurcommissie kan niet</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>De vordering van [eiseres] tot vernietiging van de uitspraak van de huurcommissie wordt afgewezen, omdat die uitspraak van rechtswege is komen te vervallen met de (tijdig uitgebrachte) dagvaarding van [eiseres] . Uit artikel 7:262 BW volgt dat de kantonrechter opnieuw, althans een eigen uitspraak doet over de punten die aan de huurcommissie zijn voorgelegd. In dit geval is dat de door [gedaagde] voorgestelde (inkomensafhankelijke) huurverhoging per 1 juli 2022 van € 831,54 met € 54,18 (7,00%) tot € 889,72 per maand. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De huurprijs mocht niet zodanig worden verhoogd</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft de stelling van [eiseres] dat haar inkomen over het jaar 2021 is gedaald, waardoor het onder het grensbedrag lag waarboven per 1 juli 2022 een inkomensafhankelijke huurverhoging mocht worden toegepast, niet betwist. Ook heeft [gedaagde] niet betwist dat de huurprijs wel mocht worden verhoogd met het wettelijk vastgesteld verhogingspercentage van 2,3%, en dus met een bedrag van € 19,13 per maand, als gevolg waarvan de maandelijkse huurprijs per 1 juli 2022 € 850,67 per maand is gaan bedragen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>Onder deze omstandigheden staat vast dat de voorzitter van de huurcommissie ten onrechte heeft geoordeeld dat de huurprijs per 1 juli 2022 inkomensafhankelijk mocht worden verhoogd met een bedrag van € 58,18 (7,00% per maand) tot € 889,72. De kantonrechter wijst de vordering van [eiseres] om te bepalen dat de door [eiseres] te betalen (geïndexeerde) huurprijs met ingang van 1 juli 2022 € 850,67 bedraagt, dan ook toe. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [gedaagde] moet de leges terugbetalen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>
        [eiseres] heeft in de procedure bij de huurcommissie een bedrag van € 25,00 aan leges moeten betalen, omdat [gedaagde] toen gelijk heeft gekregen. Zij vordert dit bedrag terug. Door het starten van deze procedure is de uitspraak van de huurcommissie echter komen te vervallen. De kantonrechter kan die uitspraak daarom niet vernietigen en daarmee ook geen uitspraak doen over de verschuldigdheid van de leges die de huurcommissie heeft vastgelegd. [eiseres] heeft overigens ook geen grondslag aangevoerd voor deze vordering. De vordering tot terugbetaling van de leges wordt daarom afgewezen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [gedaagde] moet de proceskosten betalen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <para>
        [gedaagde] moet de proceskosten betalen, omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van [eiseres] op € 131,18 aan dagvaardingskosten, € 86,00 aan griffierecht, € 164,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 82,00) en € 41,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 422,18. Hier kan nog een bedrag bijkomen als dit vonnis wordt betekend. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11.</nr>
      <para>Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagde] daar niet op heeft gereageerd (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para>De kantonrechter:</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>bepaalt dat de door [eiseres] te betalen (geïndexeerde) huurprijs met ingang van 1 juli 2022 € 850,67 bedraagt;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 422,18;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>wijst al het andere af.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. E.I. Mentink en in het openbaar uitgesproken.</para>
        <para>54214</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_18ddaa1b-3b86-4975-a76f-ed5042e72bdf" label="1">
    <para> MvT<emphasis role="italic">, Kamerstukken II</emphasis> 2010/11, 32 612, nr. 3, p. 21-22.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>