<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2024:2989</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-04-17T14:07:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-04-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-04-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/10/667615 / HA ZA 23-922</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:2989">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:2989</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-04-17T14:04:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-04-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2024:2989 Rechtbank Rotterdam , 10-04-2024 / C/10/667615 / HA ZA 23-922</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2024:2989:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vrijwaringsincident. Hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van atikel 2:9 BW. Regres.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2024:2989:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="e797bf1d-0a4e-4c02-a831-52e5e41e6dcd" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="0abdf7ff-88e9-4e4b-b794-dae814fc7fae" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team handel en haven</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/10/667615 / HA ZA 23-922</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis in incident van 10 april 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">INTERBURGO EUROPE B.V</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te Rotterdam,</para>
      <para>eiseres in de hoofdzaak,</para>
      <para>verweerster in het vrijwaringsincident,</para>
      <para>advocaat mr. S.M. Bartman te Baambrugge,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>,</para>
      <para>volgens de dagvaarding laatstelijk woonachtig in Rotterdam, doch zonder bekende woon- of werkelijke verblijfplaats,</para>
      <para>gedaagde in de hoofdzaak,</para>
      <para>eiser in het vrijwaringsincident,</para>
      <para>advocaat mr. S.C.M. van Thiel te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna IBE en [gedaagde] genoemd worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aanvankelijk is deze zaak geregistreerd geweest onder het zaak-/rolnummer 622704 / HA ZA 21-657. In verband met tussentijds appel is de zaak in 2022 ter rolle doorgehaald. Nadat deze zaak in 2023 weer is aangebracht heeft die het huidige zaak-/rolnummer gekregen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het incidentele vonnis van 4 mei 2022, waarin de rechtbank de incidentele vordering van [gedaagde] in het bevoegdheidsincident heeft afgewezen, alsmede de daaraan ten grondslag liggende processtukken, waaronder de incidentele conclusie van eis in het voorwaardelijke vrijwaringsincident;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de incidentele conclusie van antwoord in het voorwaardelijke vrijwaringsincident;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>productie 24 van [gedaagde];</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de mondelinge behandeling van 25 maart 2024 in het vrijwaringsincident, waar de griffier aantekeningen van heeft gemaakt;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de pleitaantekeningen van [gedaagde];</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de pleitaantekeningen van IBE;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de door IBE na de zitting in het geding gebrachte productie 27 van IBE in de appelprocedure voor het Hof ‘s-Gravenhage.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald in het vrijwaringsincident.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De hoofdzaak bevindt zich nog steeds in dezelfde stand als overwogen in het vonnis in het bevoegdheidsincident. Met het oordeel in het bevoegdheidsincident is voldaan aan de voorwaarde die door [gedaagde] is verbonden aan het vrijwaringsincident, zodat ook op die vordering zal worden beslist. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>In het vrijwaringsincident vordert [gedaagde] – samengevat – dat de rechtbank hem toestaat [naam 1] (verder “[naam 1]”) en [naam 2] (verder “[naam 2]”) in vrijwaring op te roepen en IBE te veroordelen in de proceskosten van het incident.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>IBE concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [gedaagde], althans tot afwijzing van de incidentele vordering, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten van het incident.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">In het incident</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring is tijdig en vóór alle weren genomen. Ingevolge artikel 210 lid 1 Rv kan een gedaagde iemand in vrijwaring oproepen indien hij meent hiertoe gronden te hebben. Voldoende is dat gedaagde in de hoofdzaak genoegzaam stelt dat tussen hem en de derde een rechtsverhouding bestaat krachtens welke de derde verplicht is de nadelige gevolgen van een veroordeling van gedaagde in de hoofdzaak geheel of gedeeltelijk te dragen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>
        [naam 2] en [naam 1] waren de medebestuurders van [gedaagde] bij IBE. Volgens [gedaagde] zijn zij daarom naast hem mede, hoofdelijk, aansprakelijk jegens IBE (artikel 2:9 BW).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>IBE betwist dat [naam 2] en [naam 1] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor mogelijk onbehoorlijk bestuur bij IBE. IBE baseert zich daarbij op de in lid 2 van artikel 2:9 BW geformuleerde uitzondering dat een bestuurder niet hoofdelijk aansprakelijk is voor onbehoorlijk bestuur van de rechtspersoon indien <emphasis role="italic">hem mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken geen ernstig verwijt kan worden gemaakt en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden</emphasis>. Volgens IBE was geen sprake van collegiaal bestuur van IBE in de periode van 2006 tot 21 februari 2017, de periode die voor de onderhavige zaak (mogelijk) relevant is. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>Niet in geschil is dat in de genoemde periode [gedaagde] nooit de enige bestuurder van IBE was, maar dat er steeds een medebestuurder was in de persoon van [naam 2] en/of [naam 1] Daarmee staat de medeaansprakelijkheid van [naam 2] en [naam 1] in beginsel  vast, behoudens indien en voor zover sprake is van de hiervoor genoemde uitzondering van artikel 2:9 lid 2 BW. Of die uitzondering zich daadwerkelijk voordoet is een vraag die niet binnen het kader van deze incidentele vordering beantwoord kan worden, maar die in de vrijwaringsprocedure ten gronde beantwoord moet worden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>Het door IBE, na tijdens de mondelinge behandeling gegeven bevel (artikel 22 lid 1 Rv) daartoe, nog in het geding gebrachte verweerschrift in de enquêteprocedure ex artikel 2:345 BW maakt het voorgaande niet anders. Weliswaar neemt [gedaagde] in dat verweerschrift zelf het standpunt in dat hij – samengevat – in overwegende mate alleen bepalend was voor het bestuur en beleid bij IBE, maar dat alleen is onvoldoende om vast te kunnen stellen dat [naam 2] en [naam 1] geen ernstig verwijt kan worden gemaakt en zij niet nalatig zijn geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>De incidentele vordering van [gedaagde] tot oproeping van [naam 1] en [naam 2] in vrijwaring zal dan ook worden toegewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <para>IBE heeft geen specifiek verweer gevoerd tegen de lengte van de door [gedaagde] primair verzochte oproepingstermijn van vijf maanden. Dat verzoek is voldoende gemotiveerd en zal dan ook worden gehonoreerd. De oproepingstermijn waarbinnen [gedaagde] [naam 1] en [naam 2] dient op te roepen wordt bepaald op 22 (tweeëntwintig) weken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11.</nr>
      <parablock>
        <para>Als de in het ongelijk gestelde partij zal IBE worden veroordeeld in de proceskosten van het incident. Deze kosten aan de zijde van IBE worden tot aan deze uitspraak begroot op:</para>
        <para>salaris advocaat		€ 1.228,00 (2 punten in liquidatietarief II)</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">nakosten			€    173,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing</emphasis>
        </para>
        <para>totaal			€ 1.401,00.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.12.</nr>
      <para>De over de proceskosten en nakosten gevorderde wettelijke rente is niet afzonderlijk betwist en zal worden toegewezen op de wijze als in de beslissing bepaald.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">In de hoofdzaak</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.13.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft de rechtbank verzocht om rolvoeging van de hoofdzaak en de (nog aanhangig te maken) vrijwaringszaak. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen. Gezien de zeer ruime termijn die [gedaagde] heeft verzocht om [naam 1] en [naam 2] in vrijwaring op te roepen en de vertraging die de hoofdzaak sinds de oorspronkelijke eerst dienende dag inmiddels heeft opgelopen, is de rechtbank van oordeel dat uitstel in de hoofdzaak tot de dag dat [naam 2] en [naam 1] in vrijwaring moeten worden opgeroepen (zoals in de conclusie van eis is het incident door [gedaagde] verzocht) in strijd komt met de eisen van een goede procesorde in de hoofdzaak.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.14.</nr>
      <para>De zaak zal naar de rol van zes weken na heden worden verwezen voor conclusie antwoord.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">in het vrijwaringsincident</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>staat [gedaagde] toe</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          [naam 1], wonende te [adres 1]</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>en</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          [naam 2], wonende te [adres 2]</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>in vrijwaring op te roepen tegen <emphasis role="bold">woensdag 4 september 2024</emphasis>;</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>veroordeelt IBE in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.401,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als IBE niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet IBE € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>veroordeelt IBE in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten en de nakosten, als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>verklaart de veroordelingen onder 3.2 en 3.3 uitvoerbaar bij voorraad;</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">in de hoofdzaak</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>verwijst de zaak naar de rol van <emphasis role="bold">woensdag 22mei 2024 </emphasis>conclusie van antwoord;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. J.B. Smits en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2024.</para>
        <para>901/3195</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>