<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2024:2826</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-04-15T11:24:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-03-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10787999 CV EXPL 23-4355</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:2826">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:2826</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-04-15T11:23:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-04-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2024:2826 Rechtbank Rotterdam , 07-03-2024 / 10787999 CV EXPL 23-4355</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2024:2826:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Niet betaalde facturen voor het gebruik van een bedrijfswagen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2024:2826:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Dordrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 10787999 CV EXPL 23-4355</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>datum uitspraak: 7 maart 2024</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van de kantonrechter</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis>, handelend onder de naam [handelsnaam 1] ,</para>
      <para>woonplaats: [woonplaats 1] ,</para>
      <para>eiser,</para>
      <para>gemachtigde: R&amp;R Gerechtsdeurwaarders B.V.,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>, handelend onder de naam [handelsnaam 2] ,</para>
      <para>woonplaats: [woonplaats 2] ,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>die zelf procedeert.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding van 3 november 2023, met bijlagen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het mondelinge antwoord van [gedaagde] van 16 november 2023;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de brief van [gedaagde] van 10 december 2023, met bijlagen. </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Op 8 februari 2024 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. [eiser] was daarbij aanwezig, bijgestaan door [persoon A] . [gedaagde] was aanwezig, bijgestaan door K. Clarijs-Horvath (tolk in de Hongaarse taal).</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is er gebeurd?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [eiser] installeert zonnepanelen voor particulieren. [gedaagde] heeft voor [eiser] gewerkt. Hij deed dit niet alleen, maar samen met drie andere collega’s die hij had meegenomen. In teams van twee personen werden zij door [eiser] ingezet om bij particuliere klanten van [eiser] zonnepanelen te instaleren. [eiser] stelt dat hij aan [gedaagde] in de periode van maart tot en met april 2022 een bedrijfswagen ter beschikking heeft gesteld en dat [gedaagde] de factuur hiervan niet heeft betaald. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De eis</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiser] eist dat [gedaagde] veroordeeld wordt om aan hem te betalen € 3.825,17, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente na 7 oktober 2023 over € 3.001,01, en de proceskosten. </para>
        <para>Het bedrag dat [eiser] eist bestaat uit € 3.001,01 voor het gebruik van de bedrijfswagen (factuur van 8 mei 2023), € 400,26 aan verschenen wettelijke handelsrente vanaf de dag van verzuim tot en met 7 oktober 2023 en € 425,- aan buitengerechtelijke incassokosten. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het verweer</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>
        [gedaagde] betwist dat hij een overeenkomst met [eiser] heeft gesloten met betrekking tot de huur van de bedrijfswagen. Volgens [gedaagde] hebben twee collega’s de bedrijfswagen gebruikt, zodat zij de huur daarvan moeten betalen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Er is een overeenkomst </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Vaststaat dat twee collega’s die via [gedaagde] voor [eiser] werkten de bedrijfswagen van [eiser] hebben gebruikt. Volgens [eiser] is dat acht weken geweest en dit heeft [gedaagde] onvoldoende weersproken. Het is de vraag wie de overeenkomst met betrekking tot het gebruik van de bedrijfswagen met [eiser] heeft gesloten: [gedaagde] of de twee collega’s. Er is geen schriftelijke overeenkomst ter onderbouwing hiervan. Dat er niets op papier staat, betekent echter niet dat er geen overeenkomst tot stand is gekomen. Beide partijen erkennen immers dat de twee collega’s van [gedaagde] de bus acht weken gebruikt hebben. Tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat de twee collega’s via [gedaagde] voor [eiser] werkten, dat [gedaagde] met [eiser] de afspraken maakte over de werkzaamheden van de twee collega’s en dat [gedaagde] de werkzaamheden van de twee collega’s factureerde aan [eiser] . Tegen deze achtergrond is de kantonrechter van oordeel dat het ervoor gehouden moet worden dat [gedaagde] degene is geweest die de overeenkomst met betrekking tot het gebruik van de bedrijfswagen met [eiser] heeft gesloten. Dat hij zelf niet in de bedrijfswagen heeft gereden doet hieraan niet af. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Er is een prijs van € 200,- per week overeengekomen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>
        [eiser] stelt dat hij met [gedaagde] is overeengekomen dat hij een vergoeding moest betalen voor het gebruik van de bedrijfswagen. [gedaagde] heeft dit onvoldoende weersproken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] toegelicht dat een vergoeding van € 200,- per week is overeengekomen en niet de in de dagvaarding genoemde vergoeding van € 75,- per dag. [gedaagde] heeft de vergoeding van € 200,- per week niet, althans onvoldoende, weersproken. [eiser] heeft ook voldoende toegelicht dat dit een redelijke vergoeding is voor het gebruik van een bedrijfswagen. Dit betekent dat [gedaagde] veroordeeld wordt om een bedrag van € 1.600,- (8 weken maal € 200,-) aan [eiser] te betalen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Buitengerechtelijke incassokosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt € 240,- toegewezen. Aan alle voorwaarden om een vergoeding voor deze kosten te krijgen is voldaan (artikel 6:96 BW). Wel zijn de buitengerechtelijke incassokosten alleen berekend over het bedrag van € 1.600,- dat is toegewezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Rente</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>De wettelijke handelsrente wordt toegewezen over € 1.600,- vanaf 25 mei 2023 (datum verzuim). [eiser] heeft namelijk voor dit bedrag voldoende gesteld waaruit volgt deze rente moet worden betaald en [gedaagde] heeft dat niet betwist. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>
        [gedaagde] moet de proceskosten betalen, omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van [eiser] op € 110,03 aan dagvaardingskosten, € 244,- aan griffierecht, € 408,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 204,-) en € 135,-aan nakosten. Dat is in totaal € 897,03. Hier kan nog een bedrag bijkomen als dit vonnis wordt betekend. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Uitvoerbaarheid bij voorraad</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv).</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para>De kantonrechter:</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 1.840,- met de wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 1.600,- vanaf 23 mei 2023 tot de dag dat volledig is betaald;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 897,03;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>wijst al het anders gevorderde af. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. C. van Steenderen-Koornneef en in het openbaar uitgesproken.</para>
        <para>31688</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>