<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2024:2255</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-04-05T11:05:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-03-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-01-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/10/670848 / KG ZA 23-1135</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#kortGeding">Kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:2255">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:2255</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-04-05T11:04:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2024:2255 Rechtbank Rotterdam , 12-01-2024 / C/10/670848 / KG ZA 23-1135</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2024:2255:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Kort geding. Verstek. Geldvordering. Artikel 477a Rv lid 1.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2024:2255:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
<uitspraak.info>
<para>
<inlinemediaobject>
<imageobject>
<imagedata align="center" depth="2" fileref="f5064fef-4d8d-4790-8d1a-015d5c46ccd3" format="image/png" scale="100" width="13" />
</imageobject>
</inlinemediaobject>
<inlinemediaobject>
<imageobject>
<imagedata align="center" depth="2" fileref="1bf1114c-d32d-48c1-bd58-1905481e85c6" format="image/png" scale="100" width="523" />
</imageobject>
</inlinemediaobject>
vonnis
</para>
<bridgehead role="bold">
RECHTBANK ROTTERDAM
</bridgehead>
<para />
<parablock>
<para>
Team handel en haven
</para>
</parablock>
<para />
<para />
<parablock>
<para>
zaaknummer / rolnummer: C/10/670848 / KG ZA 23-1135
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="bold">
Vonnis in kort geding van 12 januari 2024
</emphasis>
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
in de zaak van
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
</para>
<para>
<emphasis role="bold">
FOUNDED 2010 B.V.
</emphasis>
,
</para>
<para>
statutair gevestigd te Vlaardingen ,
</para>
<para>
kantoorhoudende te Groesbeek , gemeente Berg en Dal ,
</para>
<para>
eiseres,
</para>
<para>
advocaat mr. R.J.J. Boekhorst te Amsterdam,
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
tegen
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
[gedaagde]
</para>
<para>
,
</para>
<para>
gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
</para>
<para>
gedaagde,
</para>
<para>
niet verschenen.
</para>
</parablock>
<para />
<para />
</uitspraak.info>
<section>
<title>
<nr>
1
</nr>
De procedure
</title>
<para>
Het verloop van de procedure blijkt uit:
</para>
<itemizedlist mark="-">
<listitem>
<para>
de dagvaarding van 2 januari 2024 met producties 1 tot en met 9;
</para>
</listitem>
<listitem>
<para>
de mondelinge behandeling gehouden op 10 januari 2024;
</para>
</listitem>
<listitem>
<para>
het tijdens de behandeling tegen gedaagde verleende verstek.
</para>
</listitem>
</itemizedlist>
<para />
<para />
</section>
<section role="overwegingen">
<title>
<nr>
2
</nr>
De beoordeling
</title>
<paragroup>
<nr>
2.1.
</nr>
<para>
Omdat gedaagde ter zitting niet is verschenen, ligt enkel ter beoordeling voor de in het petitum van de dagvaarding onder a bij de tweede ‘hetzij’ vermelde vordering. Voor de beoordeling is van belang de inhoud van het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis van 10 november 2023 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, gewezen in een tussen eiseres en de heer [persoon A] (hierna: [persoon A] ) als gedaagde gevoerde procedure (C/10/667134 / KG ZA 23-932), het ten laste van [persoon A] onder gedaagde - zijn werkgever - op 9 november 2023 gelegde loonbeslag, dat inmiddels executoriaal is geworden, en de omstandigheid dat gedaagde als derde-beslagene in gebreke is gebleven verklaring te doen. Gelet op het bepaalde in artikel 477a lid 1 Rv komt het ten laste van gedaagde in deze procedure gevorderde de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor. Aan de eisen voor toewijzing van een geldvordering in kort geding is voldaan. Mitsdien wordt gedaagde veroordeeld tot betaling van het totaalbedrag waarvoor het loonbeslag is gelegd als ware zij daarvan zelf schuldenaar. Dat bedrag wordt aangenomen gelijk te zijn aan de in het vonnis van 10 november 2023 ten laste van [persoon A] toegewezen afzonderlijke bedragen.
</para>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
2.2.
</nr>
<para>
Gedaagde is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eiseres worden begroot op:
</para>
<para>
- betekening oproeping € 112,37
</para>
<para>
- griffierecht 2.837,00
</para>
<para>
- salaris advocaat 697,00
</para>
<para>
- nakosten
<emphasis role="underline">
173,00
</emphasis>
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
</para>
<para>
Totaal € 3.819,37
</para>
<para />
<parablock>
<para>
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten (inclusief nakosten) wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
</para>
</parablock>
<para />
</paragroup>
</section>
<section role="beslissing">
<title>
<nr>
3
</nr>
De beslissing
</title>
<para>
De voorzieningenrechter
</para>
<para />
<paragroup>
<nr>
3.1.
</nr>
<para>
veroordeelt gedaagde om aan eiseres te betalen:
</para>
<orderedlist numeration="arabic">
<listitem>
<para>
een bedrag van € 27.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 1 juni 2023 tot de dag van volledige betaling;
</para>
</listitem>
<listitem>
<para>
een bedrag van € 205,50 aan contractuele rente;
</para>
</listitem>
<listitem>
<para>
een bedrag van € 146,25 aan contractuele rente te betalen voor iedere maand of gedeelte van de maand dat [persoon A] het in 1 genoemde bedrag niet terugbetaalt aan eiseres, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 1 juni 2023 tot de dag van volledige betaling;
</para>
</listitem>
<listitem>
<para>
de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over:
</para>
</listitem>
</orderedlist>
<parablock>
<para>
a. € 146,25 vanaf 2 december 2022 tot 10 maart 2023;
</para>
<para>
b. € 146,25 vanaf 2 januari 2023 tot 10 maart 2023;
</para>
<para>
c. € 146,25 vanaf 2 februari 2023 tot 10 maart 2023;
</para>
<para>
d. € 413,00 vanaf 10 maart 2023 tot 13 april 2023;
</para>
<para>
e. € 59,25 vanaf 13 april 2023 tot de dag van volledige betaling;
</para>
<para>
f. € 146,25 vanaf 1 mei 2023 tot de dag van volledige betaling;
</para>
</parablock>
<para>
5. de in het vonnis van 10 november 2023 begrote proceskosten van € 5.995,76,
</para>
<para>
vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 23 november 2023 tot de dag van volledige betaling,
</para>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
3.2.
</nr>
<para>
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van € 3.819,73, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als gedaagde niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet gedaagde € 90,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
</para>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
3.3.
</nr>
<para>
veroordeelt gedaagde in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten (inclusief nakosten) als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
</para>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
3.4.
</nr>
<para>
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
</para>
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
3.5.
</nr>
<para>
wijst het meer of anders gevorderde af.
</para>
<para />
<para />
<parablock>
<para>
Dit vonnis is gewezen door mr. J.B. Smits en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2024.1734/3195
</para>
</parablock>
</paragroup>
</section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>