<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2024:2219</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-04-04T10:15:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-03-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-03-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10760618 CV EXPL 23-28577</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:2219">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:2219</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-04-04T10:14:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2024:2219 Rechtbank Rotterdam , 08-03-2024 / 10760618 CV EXPL 23-28577</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2024:2219:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Aannemingszaak. Vervangende schadevergoeding.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2024:2219:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
<uitspraak.info>
<bridgehead role="bold">
RECHTBANK ROTTERDAM
</bridgehead>
<para />
<parablock>
<para>
locatie Rotterdam
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
zaaknummer: 10760618 CV EXPL 23-28577
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
datum uitspraak: 8 maart 2024
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="bold">
Vonnis van de kantonrechter
</emphasis>
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
in de zaak van
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="bold">
[eiser]
</emphasis>
,
</para>
<para>
woonplaats: [woonplaats 1] ,
</para>
<para>
eiser,
</para>
<para>
gemachtigde: mr. C.R. Stokman,
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
tegen
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="bold">
[gedaagde]
</emphasis>
,
</para>
<para>
<emphasis role="bold">
handelend onder de naam [handelsnaam]
</emphasis>
,
</para>
<para>
woonplaats: [woonplaats 2] ,
</para>
<para>
gedaagde,
</para>
<para>
die zelf procedeert.
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
</para>
</parablock>
<para />
</uitspraak.info>
<section>
<title>
<nr>
1
</nr>
De procedure
</title>
<paragroup>
<nr>
1.1.
</nr>
<para>
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
</para>
<itemizedlist mark="-">
<listitem>
<para>
de dagvaarding van 13 oktober 2023, met bijlagen 1 tot en met 23;
</para>
</listitem>
<listitem>
<para>
de aantekeningen van het mondelinge antwoord van [gedaagde] van 26 oktober 2023 en 23 november 2023;
</para>
</listitem>
<listitem>
<para>
het schriftelijke antwoord van [gedaagde] ;
</para>
</listitem>
<listitem>
<para>
de akte overlegging producties van [eiser] , met bijlagen 24 tot en met 28.
</para>
</listitem>
</itemizedlist>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
1.2.
</nr>
<para>
Op 26 januari 2024 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling met partijen besproken. [eiser] was daarbij aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. [gedaagde] was ook aanwezig.
</para>
<para />
</paragroup>
</section>
<section role="overwegingen">
<title>
<nr>
2
</nr>
De beoordeling
</title>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="italic">
Waar gaat deze zaak over?
</emphasis>
<?linebreak?>
</para>
</parablock>
<paragroup>
<nr>
2.1.
</nr>
<parablock>
<para>
[eiser] heeft opdracht gegeven aan [gedaagde] voor het verrichten van werkzaamheden aan de zolder van de woning van [eiser] . Partijen hebben een overeenkomst van aanneming van werk gesloten. De aanneemsom bedroeg in totaal
<?linebreak?>
€ 7.865,- inclusief btw. [eiser] heeft € 4.932,- betaald.
</para>
<para>
[eiser] vindt dat [gedaagde] de overeenkomst niet is nagekomen en hij eist daarom vervangende schadevergoeding. [gedaagde] heeft erkend dat hij het werk niet heeft afgemaakt. Hij heeft aangevoerd dat hij de overeenkomst al had opgezegd.
</para>
</parablock>
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
2.2.
</nr>
<para>
De kantonrechter wijst de vordering van [eiser] (grotendeels) toe. Hierna wordt uitgelegd waarom.
</para>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="italic">
Ingebrekestelling en verzuim
</emphasis>
</para>
</parablock>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
2.3.
</nr>
<parablock>
<para>
Nadat [gedaagde] enige tijd geen werkzaamheden had uitgevoerd aan de zolder, heeft de gemachtigde van [eiser] bij brief van 30 mei 2022 [gedaagde] in gebreke gesteld. [gedaagde] is daarin gesommeerd om te bevestigen dat hij de overeenkomst zal nakomen en dat hij de overeengekomen werkzaamheden zal voltooien in de periode van
<?linebreak?>
27 juni 2022 tot en met 8 juli 2022. Die termijn van twee werkweken vindt de kantonrechter redelijk. Volgens [gedaagde] zouden de werkzaamheden in totaal ook (ongeveer) twee weken in beslag nemen.
</para>
<para>
De vraag of [gedaagde] de overeenkomst op 26 mei 2022 heeft opgezegd ( [eiser] heeft dat betwist) en of [gedaagde] wel mocht opzeggen is niet van belang. [gedaagde] heeft namelijk op 24 juni 2022 meegedeeld dat hij de werkzaamheden op 27 juni 2022 zou voortzetten. [gedaagde] heeft dat ook gedaan. Hij heeft dus weer uitvoering gegeven aan de overeenkomst. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] ook verklaard dat hij de klus bij [eiser] (toch) wilde afmaken. Daardoor heeft de door [gedaagde] gestelde eerdere opzegging geen effect gehad.
</para>
<para>
[gedaagde] heeft het werk echter niet afgemaakt, ook niet nadat de gemachtigde van [eiser] op 1 juli 2022 [gedaagde] nogmaals er op heeft gewezen dat het werk echt op 8 juli 2022 klaar moet zijn. Omdat het werk niet was afgemaakt voor 9 juli 2022 is [gedaagde] in verzuim geraakt (artikel 6:82 lid 1 BW). Hieraan doet niet af dat [gedaagde] nog heeft aangeboden om het werk op 15 juli 2022 af te ronden. Dat was te laat.
</para>
<para>
Het verweer van [gedaagde] dat hij tijdens de vakantie van [eiser] niet bij zijn gereedschap kon komen dat nog in de woning lag, kan verder in het midden blijven. [gedaagde] heeft geen (juridische) gevolgen verbonden aan dit verweer.
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="italic">
Omzetting in vervangende schadevergoeding
</emphasis>
</para>
</parablock>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
2.4.
</nr>
<para>
Omdat [gedaagde] in verzuim is geraakt, was [eiser] gerechtigd om schadevergoeding in plaats van nakoming te vorderen (artikel 6:87 lid 1 BW). Dit heeft [eiser] ook gedaan in zijn e-mail van 3 augustus 2022.
</para>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="italic">
Hoogte vervangende schadevergoeding
</emphasis>
</para>
</parablock>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
2.5.
</nr>
<para>
In de dagvaarding heeft [eiser] een bedrag aan vervangende schadevergoeding gevorderd van in totaal € 7.381,- inclusief btw (€ 6.413,- plus € 968,-). Dat bedrag was gebaseerd op het rapport van [expertisebedrijf A] . [eiser] heeft opdracht gegeven aan [expertisebedrijf A] om onderzoek te doen naar de door [gedaagde] verrichte werkzaamheden aan de zolder. [eiser] en [gedaagde] waren bij dit onderzoek aanwezig. Er heeft dus hoor en wederhoor plaatsgevonden. [expertisebedrijf A] heeft haar bevindingen vastgelegd in het rapport van 13 oktober 2022. Behalve dat het werk niet is afgemaakt, heeft [expertisebedrijf A] vastgesteld dat de multiplex stroken niet zijn verlijmd. [gedaagde] heeft dit ook erkend.
</para>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
2.6.
</nr>
<parablock>
<para>
De daadwerkelijke afbouw- en herstelkosten zijn uitgekomen op € 6.581,40 inclusief btw. Dit bedrag blijkt ook uit de door [eiser] overgelegde eindfactuur van
<?linebreak?>
6 januari 2023 van het door hem ingeschakelde aannemersbedrijf “ [bedrijf a] ”. Deze kosten zijn dus wat lager dan [expertisebedrijf A] had gedacht. Daarom heeft [eiser] zijn eis tijdens de zitting verminderd. Het bedrag van € 6.581,40 is niet betwist door [gedaagde] . De door [eiser] gevorderde vervangende schadevergoeding van € 6.581,40 wordt daarom toegewezen.
</para>
<para>
<emphasis role="italic">
Eindfactuur van [gedaagde]
</emphasis>
</para>
</parablock>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
2.7.
</nr>
<para>
[gedaagde] heeft een eindfactuur d.d. 11 juli 2022 van € 4.174,50 (inclusief btw) bij [eiser] in rekening gebracht. Deze rekening heeft [eiser] niet betaald. [eiser] heeft de verschuldigdheid van deze factuur betwist. Hij heeft aangevoerd dat hij al meer aan [gedaagde] heeft betaald (€ 4.932,-) dan het door hem uitgevoerde werk waard is. Dit vindt ook steun in het rapport van [expertisebedrijf A] . Daarin is vermeld dat de waarde van het werk dat [gedaagde] heeft gedaan in totaal € 3.276,- exclusief btw en dus € 3.963,96 inclusief btw is. [gedaagde] heeft dit niet betwist en hij heeft ook geen tegenvordering ingesteld. Tijdens de zitting heeft [gedaagde] verklaard dat hij geen betaling hoeft van zijn slotfactuur. Het voorgaande betekent dat [eiser] niets meer is verschuldigd aan [gedaagde] .
</para>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="italic">
Kosten deskundigenrapport
</emphasis>
</para>
</parablock>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
2.8.
</nr>
<para>
De kosten van het door [expertisebedrijf A] verrichte onderzoek zijn € 1.754,50 (inclusief btw). Dit blijkt uit de factuur van [expertisebedrijf A] van 7 oktober 2022. Deze kosten zijn terecht gemaakt (zie r.o. 2.5) en zullen daarom als onweersproken worden toegewezen.
</para>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="italic">
Buitengerechtelijke incassokosten
</emphasis>
</para>
</parablock>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
2.9.
</nr>
<para>
De incassokosten worden als onweersproken toegewezen tot een bedrag van
<?linebreak?>
€ 958,08, passend bij de toewijsbare hoofdsom van € 8.335,90 (€ 6.581,40 + € 1.754,50).
</para>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="italic">
Rente
</emphasis>
</para>
</parablock>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
2.10.
</nr>
<para>
De rente wordt toegewezen over de hoofdsom van € 8.335,90, omdat [eiser] voor dit bedrag genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze rente moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist.
</para>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="italic">
Proceskosten
</emphasis>
</para>
</parablock>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
2.11.
</nr>
<para>
[gedaagde] moet de proceskosten betalen, omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van [eiser] op € 130,48 aan dagvaardingskosten, € 244,- aan griffierecht, € 678,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 339,-) en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.187,48. Hier kan nog een bedrag bijkomen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente wordt toegewezen.
</para>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="italic">
Uitvoerbaarheid bij voorraad
</emphasis>
</para>
</parablock>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
2.12.
</nr>
<para>
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv).
</para>
<para />
</paragroup>
</section>
<section role="beslissing">
<title>
<nr>
3
</nr>
De beslissing
</title>
<para>
De kantonrechter:
</para>
<para />
<paragroup>
<nr>
3.1.
</nr>
<para>
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 8.335,90 aan hoofdsom en € 958,08 aan buitengerechtelijke incassokosten, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over € 8.335,90 vanaf 7 april 2023 tot aan de dag dat volledig is betaald;
</para>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
3.2.
</nr>
<para>
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 1.187,48, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na vandaag tot de dag dat volledig is betaald;
</para>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
3.3.
</nr>
<para>
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
</para>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
3.4.
</nr>
<para>
wijst al het andere af.
</para>
<para />
<parablock>
<para>
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
</para>
<para>
764
</para>
</parablock>
<para />
</paragroup>
</section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>