<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2024:13960</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-16T11:22:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-10-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11138185 VZ VERZ 24-5465</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:13960">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:13960</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-16T11:12:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2024:13960 Rechtbank Rotterdam , 25-10-2024 / 11138185 VZ VERZ 24-5465</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2024:13960:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Huurrecht. Het gaat om 230a-bedrijfsruimte en niet om 290-bedrijfsruimte. Verlenging ontruimingstermijn.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2024:13960:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para>Zaaknummer: 11138185 VZ VERZ 24-5465	</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak: 25 oktober 2024</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoekster],</emphasis>
      </para>
      <para>vestigingsplaats: Berkel en Rodenrijs (gemeente Lansingerland),</para>
      <para>verzoekster,</para>
      <para>gemachtigde: mr. J.J.Y. Kleingeld,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verweerster],</emphasis>
      </para>
      <para>woonplaats: Berkel en Rodenrijs (gemeente Lansingerland),</para>
      <para>verweerster,</para>
      <para>gemachtigde: mr. M.R. van Leeuwen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekers worden hierna ‘[verzoekster]’ en ‘[verweerster]’ genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
        <para>- het verzoekschrift, ontvangen op 30 mei 2024, met bijlagen;</para>
        <para>- het verweerschrift, met bijlagen;</para>
        <para>- de aanvullende bijlagen van [verzoekster];</para>
        <para>- de aanvullende bijlagen van [verweerster];</para>
        <para>- de spreekaantekeningen van [verzoekster];</para>
        <para>- de spreekaantekeningen van [verweerster]. <?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Op 24 september 2024 is de zaak tijdens een zitting met partijen besproken. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <parablock>
        <para>      [verzoekster] verzoekt:</para>
        <para>primair,</para>
        <para>- [verzoekster] niet ontvankelijk te verklaren in haar voorwaardelijk verzoek tot</para>
        <para>verlenging van de ontruimingstermijn ex artikel 7: 230a BW;</para>
        <para>subsidiair,</para>
        <para>- de ontruimingstermijn te verlengen tot met een jaar tot 1 april 2025;</para>
        <para>zowel primair als subsidiair,  </para>
        <para>- [verweerster] te veroordelen in de kosten van deze procedure en in de</para>
        <para>nakosten. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [verweerster] voert verweer tegen het primaire verzoek maar heeft geen bezwaar tegen de verlenging van de ontruimingstermijn tot 1 april 2025.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Wat partijen hebben aangevoerd wordt hierna, en voor zover van belang, besproken. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [verzoekster] huurt sinds 1 april 2009 van [verweerster] circa 1250 m2 buitenterrein aan [adres 1] (hierna ‘het gehuurde’). De middellijke bestuurder van [verzoekster] is [naam]. [verweerster] is de moeder van [naam]. Het gehuurde is onderdeel van het terrein dat eigendom is van [verweerster]. Op 29 december 2023 heeft [verweerster] de huurovereenkomst opgezegd tegen 1 april 2024. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Voor de beoordeling van het primaire (voorwaardelijke) verzoek van [verzoekster] om haar niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn moet worden nagegaan of sprake van bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 7:290 BW. [verzoekster] heeft in dat kader aangevoerd dat het gehuurde contractueel bestemd is om samen met een andere door [verzoekster] in gebruik zijnde bedrijfsruimte als artikel 7:290 lid 3 BW bedrijfsruimte te worden gebruikt. In het bijzonder moet daarom worden beoordeeld of sprake is van een onroerende aanhorigheid of de bij het een en ander horende grond in de zin van artikel 7:290 lid 3 BW.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">geen 290-bedrijfsruimte</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>
        [verzoekster] houdt zich onder meer bezig met de in- en verkoop van caravans, campers en vouwwagens en het uitvoeren van onderhoud en reparatie hieraan (volgens het uittreksel Kamer van koophandel, bijlage 2 verzoek). De onderneming wordt geëxploiteerd aan het adres [adres 2]. Deze ruimte waarin de onderneming is gevestigd is eigendom van [verzoekster]. Het gehuurde is van daaruit te bereiken via een pad dat over het terrein van [verweerster] loopt. Het gehuurde wordt (hoofdzakelijk) gebruikt voor de stalling van caravans. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>In de eerste plaats staat het feit dat het pand waarin de onderneming wordt geëxploiteerd eigendom is van [verzoekster] niet aan een contractuele bestemming tot aanhorigheid in de zin van artikel 7:290 lid 3 BW in de weg (Hoge Raad van 10 februari 2012 ECLI:NL:HR:2012:BU5602). In hetzelfde arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat de beslissende vraag is of de verhuurder ermee heeft ingestemd dat de verhuurde ruimte wordt bestemd om tezamen met de andere door de huurder gebezigde ruimten als bedrijfsruimte te worden gebruikt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [verzoekster] beroept zich voor wat betreft de instemming van [verweerster] op de bestemming van het gehuurde zoals beschreven in de huurovereenkomst. In artikel 1.3 staat inderdaad dat het gehuurde uitsluitend mag worden gebruikt als opslagruimte en bedrijfsruimte ten behoeve van: de uitvoering van het bedrijf is verkoop caravans. </para>
        <para>
          [verweerster] betwist echter gemotiveerd voormelde instemming. Ook heeft zij gewezen op de kop van de huurovereenkomst. Hierin is immers opgenomen “Huurovereenkomst Kantoorruimte en andere bedrijfsruimte niet ex artikel 7A:1624 BW”. Dit artikel is het oude artikel 7:290 BW. In het licht van het voorgaande is het enkele beroep op de in de huurovereenkomst vermelde bestemming onvoldoende. Andere feiten en omstandigheden waaruit de instemming van [verweerster] kan worden afgeleid zijn door [verzoekster] niet aangevoerd. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>De conclusie is dat onvoldoende vaststaat dat [verweerster] ermee heeft ingestemd dat het gehuurde moet worden beschouwd als onroerende aanhorigheid in de zin van artikel 7:290 lid 3 BW. Het primaire verzoek van [verzoekster] om haar niet-ontvankelijk te verklaren wordt daarom afgewezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">verlenging ontruimingstermijn</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>Uit het onder 3.5. overwogene volgt dat ervan uit moet worden gegaan dat het gehuurde valt onder het regime van artikel 7:230a BW. Het subsidiaire verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn tot 1 april 2025 zal worden toegewezen. [verweerster] verzet zich hiertegen immers niet. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>Omdat partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren. Dit betekent dat elke partij de eigen kosten draagt.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">uitvoerbaar bij voorraad</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <para>Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>verlengt de termijn waarbinnen ontruiming van het door [verzoekster] gehuurde terrein aan het adres [adres 1] moet plaatsvinden <emphasis role="underline">tot 1 april 2025</emphasis>;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>compenseert de proceskosten;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>wijst af het meer of anders verzochte.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze beschikking is gegeven door mr. I.K. Rapmund en in het openbaar uitgesproken. </para>
        <para>540</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>