<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2024:12908</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-12-24T09:23:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-12-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-12-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11311239 CV EXPL 24-23621</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:12908">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:12908</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-12-24T09:21:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-12-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2024:12908 Rechtbank Rotterdam , 04-12-2024 / 11311239 CV EXPL 24-23621</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2024:12908:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verstek. Ontbinding en ontruiming van huurwoning toegewezen. Oneerlijk huurprijswijzigingsbeding en oneerlijk boetebeding. Eisvermindering, bik en rente afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2024:12908:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 11311239 CV EXPL 24-23621</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>datum uitspraak: 4 december 2024</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van de kantonrechter</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Stichting Havensteder</emphasis>,</para>
      <para>vestigingsplaats: Rotterdam,</para>
      <para>eiseres,</para>
      <para>gemachtigde: Gerechtsdeurwaarderskantoor H.J. Jansen B.V.,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>
      [gedaagde 1],</title>
    <parablock>
      <para>woonplaats: [woonplaats],</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">2. [gedaagde 2],</emphasis>
      </para>
      <para>woonplaats: [woonplaats],</para>
      <para>gedaagden,</para>
      <para>die niet in de procedure zijn verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De partijen worden hierna ‘Havensteder’ en ‘[gedaagde 1] en [gedaagde 2]’ genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding van 30 augustus 2024, met bijlagen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de rolbeslissing van 23 oktober 2024;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de akte en eisvermindering van Havensteder van 6 november 2024, met bijlagen.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet in de procedure zijn verschenen, is tegen hen verstek verleend (artikel 139 Rv).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Bij rolbeslissing van 23 oktober 2024 heeft de kantonrechter overwogen dat ambtshalve moet worden beoordeeld of sprake is van oneerlijke en dus onredelijk bezwarende bepalingen in de huurovereenkomst. In dat rolbeslissing staat ook dat naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter de huurprijswijzigingsregeling en het boetebeding in de algemene voorwaarden onredelijk bezwarend zijn. Havensteder is in de gelegenheid gesteld hierop te reageren en uitleg te geven als zij vindt dat die regelingen gerechtvaardigd zijn. Havensteder heeft dit bij akte van 6 november 2024 gedaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat de zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Havensteder verhuurt sinds 15 april 2022 een woonruimte aan [adres] aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. Omdat een huurachterstand is ontstaan eist Havensteder ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot ontruiming van de woonruimte en tot betaling van de achterstand plus (een bedrag gelijk aan) de lopende huur tot en met de maand van de ontruiming, met rente en kosten. De eis tot ontbinding van de huurovereenkomst met ontruiming van de woonruimte wordt toegewezen. Hieronder wordt uitgelegd waarom de kantonrechter tot deze oordelen komt.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het huurprijswijzigingsbeding is oneerlijk </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Geconstateerd is dat in de algemene voorwaarden een bepaling staat over huurprijswijziging, die aangemerkt wordt als een oneerlijke bepaling zoals bedoeld in Richtlijn 93/13 EG. Het betreft artikel 5 van de algemene voorwaarden. Kort gezegd is hierin geregeld dat de huurprijs jaarlijks gewijzigd mag worden met het CPI plus een verhoging van 5%. De bepaling geeft de verhuurder hiermee het recht om de huur met meer te laten stijgen dan op grond van een redelijke inschatting van de markt op het moment van het afsluiten van de huurovereenkomst te verwachten was.<footnote-ref linkend="_36c6afdd-6f69-4626-9c02-b8aa09f37eb0" /> Dat maakt de bepaling oneerlijk. Daarom moet de bepaling vernietigd worden, want consumenten moeten hiertegen worden beschermd, wat ook voor huurders geldt. Hierdoor moet er gekeken worden naar de aanvangshuurprijs. Bij akte en eisvermindering heeft Havensteder zich hierover uitgelaten. Havensteder vordert een bedrag van € 8.124,74 aan huurachterstand tot en met de maand november 2024. Havensteder eist en baseert dit bedrag op de overeengekomen huurprijs die partijen bij het sluiten van de overeenkomst hebben afgesproken. Hierdoor wijst de kantonrechter deze vordering, ondanks het oneerlijke beding toe. De vordering komt niet ongegrond of onrechtmatig voor. Gelet hierop worden [gedaagde 1] en [gedaagde 2], hoofdelijk, veroordeeld tot betaling van € 8.124,74 aan huurachterstand tot en met de maand november 2024.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De huurovereenkomsten worden ontbonden</emphasis>
          <?linebreak?>2.3.	De huurovereenkomst wordt ontbonden, omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de huur niet op tijd hebben betaald (artikel 6:265 BW). De huurachterstand is ernstig genoeg om de huurovereenkomst te beëindigen. Dat is meestal zo bij een achterstand van meer dan drie maanden, maar de kantonrechter moet rekening houden met alle omstandigheden.<footnote-ref linkend="_96bfa4ef-6d30-4a83-806d-78269180a26e" /> De huurachterstand bedroeg ten tijde van dagvaarding ruim vier maanden en is sindsdien opgelopen. Sinds juli 2024 is er zelfs niets meer betaald en er is geen aanleiding om te denken dat de komende huurpenningen in de toekomst wel tijdig zullen worden betaald of de opgelopen achterstand zal worden ingelopen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Omdat de huurovereenkomst wordt ontbonden, moeten [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de woning met al hun spullen verlaten. Dat moet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis. Vanaf 1 december 2024 tot en met de dag van de ontruiming moeten [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een gebruiksvergoeding betalen van € 1.217,15 per maand (artikel 7:225 BW). </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoeven geen incassokosten en rente te betalen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>De kantonrechter wijst de incassokosten en de rente af. In de algemene voorwaarden van Havensteder staat hierover namelijk een oneerlijke bepaling. Omdat die bepaling oneerlijk is, mag Havensteder daar geen beroep op doen en ook geen aanspraak maken op de incassokosten en rente uit de wet.<footnote-ref linkend="_cd2c93c2-559f-485f-8bb2-b48af9a70349" /> De bepaling is oneerlijk, omdat daarin staat dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een boete moeten betalen als zij niet aan de verplichtingen uit de overeenkomst en de algemene voorwaarden voldoen. Daaronder valt ook het op tijd betalen van de huur. Op grond van de wet zouden [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als zij te laat betalen alleen de wettelijke rente en incassokosten moeten betalen. Havensteder wijkt met de boete dus in het nadeel van een consument af van de wet door daarnaast een boete op te leggen. Dat maakt deze bepaling hier oneerlijk.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten de proceskosten betalen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>
        [gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten de proceskosten betalen, omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgen (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van Havensteder op € 135,97 aan dagvaardingskosten, € 524,- aan griffierecht, € 678,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 339,-) en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.472,97. Hier kan nog een bedrag bijkomen als dit vonnis wordt betekend.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Hoofdelijke veroordeling</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>
        [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden hoofdelijk veroordeeld, omdat Havensteder dat eist. Dit betekent dat ieder van hen voor het geheel kan worden aangesproken om aan het vonnis te voldoen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Havensteder dat eist en daarop niet is gereageerd (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan Havensteder te betalen </para>
        <para>€ 8.124,74;</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>ontbindt de huurovereenkomst tussen de partijen en veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om binnen veertien dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de woonruimte aan [adres] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege hen bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van Havensteder te stellen;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <parablock>
        <para>veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan Havensteder te betalen </para>
        <para>€ 1.217,15 per maand vanaf de maand december 2024 tot en met de dag van ontruiming;</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten, die aan de kant van Havensteder worden begroot op € 1.472,97;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>wijst al het andere af.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. I.K. Rapmund en in het openbaar uitgesproken.</para>
        <para>62914</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_36c6afdd-6f69-4626-9c02-b8aa09f37eb0" label="1">
    <para> Rechtbank Rotterdam 9 februari 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:801</para>
  </footnote>
  <footnote id="_96bfa4ef-6d30-4a83-806d-78269180a26e" label="2">
    <para> Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cd2c93c2-559f-485f-8bb2-b48af9a70349" label="3">
    <para> Hof van Justitie van de Europese Unie 27 januari 2021 (Dexia)</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>