<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2024:1286</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-03-21T13:47:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-02-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-02-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ROT 22/5792</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursstrafrecht">Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:1286">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:1286</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-03-21T13:43:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-03-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2024:1286 Rechtbank Rotterdam , 23-02-2024 / ROT 22/5792</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2024:1286:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>BC/Wet dieren; bewijs dat eiseres de geitenbok aan de hoorns zou hebben voortgetrokken is niet toereikend. Camerabeelden waarop de boete is gebaseerd, zijn gewist; beroep gegrond; schadevergoeding ivm overschrijding redelijke termijn.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2024:1286:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: ROT 22/5792</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 februari 2024 in de zaak tussen</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [naam eiseres] uit [plaatsnaam ], eiseres</title>
    <para>(gemachtigde: mr. M.J.J.E. Stassen),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder</title>
    <para>(gemachtigde: mr. J.A.J. Woutersen),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid).</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. 	In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen een boete voor een overtreding van de Wet dieren. Met het besluit van 24 december 2021 heeft verweerder eiseres een boete van € 1.500,- opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Met het bestreden besluit van 20 oktober 2022 op het bezwaar van eiseres heeft verweerder deze boete gehandhaafd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1], namens eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Totstandkoming van het besluit</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Verweerder heeft zijn boetebesluit gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op 15 april 2021 is opgemaakt door een toezichthouder van de NVWA.</para>
        <para>Hierin is het volgende vermeld:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">“Bevinding(en)</emphasis>
          <emphasis role="italic">:</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Datum en tijdstip van de bevinding: 7 april 2021, omstreeks 13.00 uur.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Tijdens mijn basisinspectie cameratoezicht bevond ik mij in een kantoorruimte van</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [naam bedrijf] Hier is door het bedrijf een computer tot mijn</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">beschikking gesteld om opgenomen camerabeelden uit te kijken. Gedurende de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">inspectie bekeek ik steekproefsgewijs willekeurig gekozen beelden van</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">verschillende data en tijdstippen. De beelden waren van goede kwaliteit. Bij de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">opgenomen beelden staan de datum en tijd onderin beeld, hierdoor weet ik van</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">welke dag en welk tijdstip de beelden zijn.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Tijdens het uitkijken van de beelden van 25 maart 2021 omstreeks 11.22 uur zag</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">ik dat er door een chauffeur werd begonnen met het afladen van geiten. Ik wist dat</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">dit de chauffeur was, omdat ik op het moment dat de vrachtwagen geparkeerd</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">stond in de schaduw een portier open zag gaan en deze meneer vanuit de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">bestuurderskant naar de achterklep van de vrachtwagen zag lopen om deze</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">vervolgens te openen. De naam van de vervoerder, [naam eiseres] uit</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [plaatsnaam ], zag ik achter op de klep van de vrachtwagen staan. Ook het</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">kenteken, [kenteken], kon ik zien op de opgenomen beelden.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Om 11.24 uur zag ik dat er nog drie dwerggeiten op de vrachtwagen stonden. Ik</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">zag dat één van de drie dwerggeiten door de chauffeur aan de hoorns door en van</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">de vrachtwagen werd getrokken.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ik stelde vast dat bij het verplaatsen van dieren tijdens het afladen handelingen</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">werden verricht die verboden zijn.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ik zag dat een geit onjuist werd behandeld, want de geit werd aan de hoorns</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">voortgetrokken.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>In een “veterinaire verklaring” van 22 oktober 2021 van twee andere toezichthoudende dierenartsen van de NVWA is het volgende vermeld:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Wij zijn door onze collega toezichthouder op de hoogte gebracht van haar</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">bevindingen. Wij waren op dat moment voor regulier toezicht aanwezig bij [naam bedrijf]</emphasis>
        </para>
        <para />
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Naar aanleiding van de bevindingen van onze collega zijn wij op 7 april 2021</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">omstreeks 15.00 uur naar de ruimte bij [naam bedrijf] gegaan</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">waar de opgenomen camerabeelden bekeken kunnen worden. Met toestemming</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">van [naam 2] (administratief medewerker van [naam bedrijf]</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">) hebben wij de betreffende beelden kunnen bekijken. Het ging om het uitkijken</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">van de beelden van 25 maart 2021 omstreeks 11.22 uur. Wij zagen dat er door de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">chauffeur werd begonnen met het afladen van geiten. De naam van de vervoerder,</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [naam eiseres] uit [plaatsnaam ], zagen wij achter op de klep van de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">vrachtwagen staan. Ook het kenteken, [kenteken], konden wij zien op de opgenomen</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">beelden. Om 11.24 uur zagen wij dat er nog 3 dwerggeiten op de vrachtwagen</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">stonden. Wij zagen dat één van de drie dwerggeiten door de chauffeur aan de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">hoorns door en van de vrachtwagen werd getrokken.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wij stelden vast dat bij het verplaatsen van dieren tijdens het afladen handelingen</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">werden verricht die verboden zijn.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wij zagen dat het dier onjuist werd behandeld, want het dier werd aan de hoorns</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">voortgetrokken.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wij verklaren dat wij bovenstaande bevindingen ook gezien hebben in het</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">opgeslagen beeldmateriaal.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Een door eiseres overgelegde verklaring van [naam 2], (voormalig) administratief medewerker bij [naam bedrijf], van 24 december 2021 luidt als volgt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Op 7 april 2021 heb ik twee NVWA dierenartsen omstreeks 15.00 uur toegang gegeven naar de ruimte bij [naam bedrijf] waar opgenomen camerabeelden bekeken kunnen worden. Ik heb hen toestemming verleend en samen met hen de gevraagde beelden bekeken. Het ging om het uitkijken van de beelden van het lossen van geiten door [naam bedrijf] op 25 maart 2021 omstreeks 11.22 uur.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Rondom het lossen van drie dwerggeiten heb ik gezien een van de drie geiten door [naam 3] uiterst rustig en kalm van de laadklep naar beneden is geleid. Hierbij is op geen enkele wijze sprake geweest van het trekken aan de horens of iets dergelijks. Het dier is uiterst correct behandeld en heeft op geen enkele wijze stress of pijn ervaren.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres het volgende beboetbare feit heeft gepleegd:</para>
        <para>Een chauffeur van het vervoersbedrijf van eiseres heeft één dwerggeit aan de hoorns door en van de vrachtwagen getrokken. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Volgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 2.5 en artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, in samenhang gelezen met artikel 4.8, van de Regeling houders van dieren, in samenhang met artikel 6, derde lid, en bijlage I, hoofdstuk III, punt 1.8, onder d, van de Verordening (EG) nr. 1/2005 (Transportverordening).</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Laatstgenoemde bepaling luidt, voor zover relevant, als volgt:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Het is verboden:</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">d) de dieren bij kop, oren, horens, poten, staart of vacht op te tillen of voort te trekken, of ze zodanig te behandelen dat het hun onnodige pijn of onnodig lijden berokkent;</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Verweerder heeft voor deze overtreding een boete van € 1.500,- aan eiseres opgelegd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>In het bestreden besluit heeft verweerder de boete gehandhaafd. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>4. Eiseres is het niet eens met de boete. [naam 3] heeft de geitenbok niet voortgetrokken, maar slechts begeleid. Dit was nodig omdat het ging om een agressieve geitenbok. Door het dier aan de hoorn te pakken, heeft [naam 3] voorkomen dat het hem met zijn horens zou stoten. Dit is ook goed gelukt. De bok is rustig de vrachtwagen uitgelopen en er is in het geheel geen sprake geweest van pijn of lijden bij het dier. Dit wordt bevestigd in de verklaring van [naam 2]. Nu de camerabeelden zijn gewist, ontbreekt het belangrijkste bewijsmiddel. Volgens eiseres zijn de beschrijvingen van de toezichthouders te summier. </para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat het bewijs dat eiseres de overtreding heeft begaan, niet toereikend is. Verboden is het “voorttrekken” van dieren bij hun horens. Het enkele vastpakken van de horens is niet verboden. In het rapport van bevindingen en in de veterinaire verklaring is slechts vermeld dat één van de drie dwerggeiten door de chauffeur aan de hoorns door en van de vrachtwagen werd getrokken. De omstandigheden waaruit blijkt dat van “voorttrekken” in de zin van de verbodsbepaling sprake is, zijn niet concreet omschreven. Zo blijkt bijvoorbeeld niet uit het rapport of de verklaring dat de bok zich verzette of zich schrap zette. Hier staat tegenover dat eiseres een op zichzelf aannemelijke verklaring heeft gegeven voor het vastpakken van de geitenbok bij de hoorn. Hoewel in beginsel van de bevindingen van een toezichthouder moet worden uitgegaan, kan de rechtbank dat in dit geval niet doen omdat die bevindingen onvoldoende concreet zijn omschreven. De situatie zou anders zijn geweest indien verweerder de camerabeelden, die ook de aanleiding vormden voor het opmaken van een rapport van bevindingen, aan het bewijsmateriaal zou hebben toegevoegd. Dat heeft verweerder echter niet gedaan. Dat het de verantwoordelijkheid van eiseres was om de camerabeelden veilig te stellen, volgt de rechtbank in dit geval niet. De bewijslast rust namelijk op verweerder. Daar komt bij dat verweerder het rapport van bevindingen (in strijd met artikel 5:51, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht) pas op 30 november 2021 aan eiseres heeft toegestuurd en dat, zoals eiseres onbetwist heeft gesteld, de camerabeelden op dat moment al waren gewist. </para>
    <para />
    <para>6. Eiseres heeft ter zitting aangevoerd dat de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>Volgens vaste jurisprudentie geldt bij punitieve sancties als uitgangspunt dat de redelijke termijn is overschreden als, behoudens bijzondere omstandigheden, de rechtbank niet binnen twee jaar nadat deze termijn is aangevangen, uitspraak doet. De termijn vangt aan op het moment dat het bestuursorgaan een handeling heeft verricht waaraan eiseres de verwachting kon ontlenen dat het bestuursorgaan haar een boete zou opleggen; dit is in de regel het moment van het voornemen tot boeteoplegging. Ook in deze zaak is de redelijke termijn aangevangen met het voornemen, dit was op 30 november 2021. Daarmee is op het moment van deze uitspraak de redelijke termijn met bijna drie maanden overschreden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>Nu de boete is vervallen geschiedt compensatie in de vorm van een schadevergoeding zoals in niet-punitieve zaken gebruikelijk is, namelijk € 500,- per half jaar overschrijding. Eiseres heeft dus recht op een schadevergoeding van € 500,-. Voor de toerekening van de schadevergoeding geldt als uitgangspunt dat de bestuurlijke fase onredelijk lang heeft geduurd indien deze de duur van een jaar overschrijdt en hetzelfde geldt voor de rechterlijke fase. In dit geval is de overschrijding volledig aan de rechtbank toe te rekenen. De rechtbank zal dan ook de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) veroordelen tot betaling van de schadevergoeding.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>7. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien en het primaire besluit herroepen. Dit betekent dat de boete vervalt.</para>
    <para />
    <para>8. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 875,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.750,-.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-verklaart het beroep gegrond;</para>
      <para>-vernietigt het bestreden besluit van 20 oktober 2022;</para>
      <para>-herroept het primaire besluit;</para>
      <para>-bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;</para>
      <para>-veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van een schadevergoeding van € 500,- aan eiseres;</para>
      <para>-bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 365,- aan eiseres moet vergoeden;</para>
      <para>-veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten van eiseres.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>P. Deinum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2024. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.  </para>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>