<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2024:11237</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-04-03T12:09:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-11-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-11-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10926623 CV EXPL 24-3569</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:11237">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:11237</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-04-03T12:08:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-11-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2024:11237 Rechtbank Rotterdam , 08-11-2024 / 10926623 CV EXPL 24-3569</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2024:11237:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Huurachterstand 12 maanden. Ontbinding huurovereenkomst. Terme grace, 7:280 BW. Oneerlijk beding incassokosten en rente.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2024:11237:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Rotterdam</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 10926623 CV EXPL 24-3569</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>datum uitspraak: 8 november 2024</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van de kantonrechter</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1.</nr> [eiser 1] ,</title>
    <parablock>
      <para>woonplaats: Rotterdam,</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">2.</emphasis> <emphasis role="bold">[eiser 2]</emphasis>,</para>
      <para>woonplaats: Bergschenhoek,</para>
      <para>eisers, </para>
      <para>gemachtigde: mr. J.J. Blok,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>,</para>
      <para>woonplaats: Rotterdam,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>die zelf procedeert.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De partijen worden hierna ‘ [eiser 1+2] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding van 5 februari 2024, met bijlagen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de rolbeslissingen van 26 april 2024 en 21 juni 2024;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de akte van [eiser 1+2] , met een vermindering van de eis, met bijlagen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de rolbeslissing van 13 september 2024.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft in de rolbeslissingen de gelegenheid gekregen om te reageren, maar hij heeft dat niet gedaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is de kern? </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [gedaagde] huurt een woning van [eiser 1+2] . Volgens [eiser 1+2] heeft [gedaagde] een huurachterstand van € 6.664,46. [eiser 1+2] eist dat [gedaagde] wordt veroordeeld om die achterstand te betalen, met rente en buitengerechtelijke kosten. Ook eist [eiser 1+2] dat de kantonrechter de huurovereenkomst ontbindt en [gedaagde] veroordeelt om de woning te ontruimen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft niet inhoudelijk gereageerd. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat het klopt wat [eiser 1+2] stelt. De eisen van [eiser 1+2] worden bijna helemaal toegewezen. [gedaagde] krijgt nog wel een laatste kans. In dit vonnis legt de kantonrechter dit uit.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [gedaagde] moet een huurachterstand van € 6.558,36 betalen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>In 2021 is [gedaagde] een procedure tegen [eiser 1+2] gestart, omdat er volgens hem gebreken waren in de woning. Het ging om schimmelsporen en de afwezigheid van een gaskachel. De kantonrechter heeft [eiser 1+2] in die procedure veroordeeld om die gebreken te herstellen en heeft de huurprijs vanaf 14 februari 2020 met 60% verlaagd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Volgens [eiser 1+2] zijn de gebreken per 11 maart 2022 hersteld. Zij stelt dat [gedaagde] vanaf maart 2022 de volledige huur dus ook weer moet betalen, maar dat hij altijd de verlaagde huur is blijven betalen. Daardoor is er nu volgens haar een achterstand van € 6.664,46. Omdat [gedaagde] al het voorgaande niet heeft betwist, veroordeelt de kantonrechter hem om die achterstand te betalen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>De kantonrechter stelt de achterstand vast op een iets lager bedrag. De huurprijs is namelijk in het eerdere vonnis verlaagd tot en met de dág waarop de gebreken zijn verholpen. [eiser 1+2] schrijft in de dagvaarding dat de gebreken op 11 maart 2022 zijn verholpen. Dat betekent dus dat tot en met die dag de verlaagde huurprijs geldt. [eiser 1+2] heeft echter voor die hele maand weer de ‘normale’ huur gerekend. De kantonrechter corrigeert dat. Voor de eerste 11 dagen gold de verlaagde huurprijs van € 199,35 per maand. Dat komt neer op € 70,74 (€ 199,35 / 31 x 11). Voor de rest van de maand gold de normale huurprijs van € 498,36. Dat komt neer op € 321,52 (€ 498,36 / 31 x 20). [gedaagde] moet voor die maand dus totaal € 392,26 betalen en niet € 498,36, zoals [eiser 1+2] heeft gerekend. De huurachterstand wordt daarom vastgesteld op € 106,10 minder (€ 498,36 - € 392,26). Dat leidt tot een huurachterstand van € 6.558,36 (€ 6.664,46 - € 106,10). </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De huurachterstand is ernstig genoeg voor ontbinding van de huurovereenkomst</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>
        [gedaagde] is verplicht om de huur op tijd te betalen en heeft dat niet gedaan. Hij heeft een huurachterstand laten ontstaan van meer dan een jaar. Zo’n grote huurachterstand is ernstig genoeg om de huurovereenkomst te beëindigen (artikel 6:265 BW).<footnote-ref linkend="_d28c84c9-6b5f-4ed7-a44f-398cfa07bbd6" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>
        [eiser 1+2] heeft de betalingsachterstand niet gemeld bij de gemeente (artikel 2 Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening). In dit geval verbindt de kantonrechter daar geen gevolgen aan, omdat de achterstand niet is gebaseerd op schuldenproblematiek, maar op een kennelijk bewuste keuze van [gedaagde] . </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [gedaagde] hoeft geen incassokosten te betalen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>Omdat er sprake is van een overeenkomst tussen een consument en een partij die zakelijk handelt moet de kantonrechter beoordelen of er in de overeenkomst oneerlijke bepalingen staan, die relevant zijn voor deze zaak.<footnote-ref linkend="_f1224319-2a12-4798-ac97-6b89b054ea0a" /> Dat is het geval. De bepaling over de buitengerechtelijke kosten in de algemene voorwaarden (artikel 22.3 en 22.4) is namelijk oneerlijk, omdat die afwijkt van de wet (artikel 6:96 BW) in het nadeel van de consument. Er staat dat [gedaagde] alle buitengerechtelijke kosten moet betalen, die worden vastgesteld op tenminste 15%, met een minimum van € 250,-. Op grond van de wet die bij het aangaan van de overeenkomst (1999) gold hoefde [gedaagde] alleen maar de redelijke kosten te betalen. Omdat die bepaling oneerlijk is, mag [eiser 1+2] daar geen beroep op doen en kan hij ook geen aanspraak maken op incassokosten die volgen uit de wet.<footnote-ref linkend="_f3bd2417-7757-4793-a275-d6998b2c255f" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [gedaagde] hoeft geen rente te betalen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>Voor de rente die [eiser 1+2] eist geldt hetzelfde. In de algemene voorwaarden staat hierover een oneerlijke bepaling (artikel 22.2). De bepaling is oneerlijk, omdat daarin staat dat [gedaagde] 1% rente per maand moet betalen. Dat is veel hoger dan de wettelijke rente van (destijds) 6% per jaar. Dat maakt de bepaling oneerlijk. [eiser 1+2] mag daarom geen beroep doen op die bepaling en ook niet in plaats daarvan op de wettelijke rente.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [gedaagde] moet de proceskosten betalen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <para>De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser 1+2] moet betalen op € 136,72 aan dagvaardingskosten, € 248,- aan griffierecht, € 339,- aan salaris voor de gemachtigde (1 punt) en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 858,72. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [gedaagde] krijgt nog een laatste kans</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11.</nr>
      <para>
        [gedaagde] krijgt nog een laatste kans om de ontbinding van de huurovereenkomst te voorkomen (artikel 7:280 BW). Als hij binnen een maand alle bedragen uit dit vonnis aan [eiser 1+2] betaalt, blijft de huurovereenkomst toch bestaan. De kantonrechter ziet daarvoor aanleiding omdat [gedaagde] deze achterstand wellicht bewust heeft laten ontstaan, omdat de kantonrechter er op basis van de informatie in de dagvaarding vanuit gaat dat [gedaagde] vindt dat hij nog steeds de verlaagde huur mag betalen. Zoals uit dit vonnis blijkt volgt de kantonrechter dit (juridische) standpunt niet. De gevolgen daarvan zijn erg groot, terwijl [gedaagde] al 25 jaar in de woning woont. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.12.</nr>
      <para>Dit vonnis wordt, met inachtneming van 2.11, uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser 1+2] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para>De kantonrechter:</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser 1+2] € 6.558,36 te betalen;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser 1+2] worden begroot op € 858,72;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>wijst al het andere af;</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">en, als [gedaagde] niet binnen een maand na de datum van dit vonnis alle bedragen die worden genoemd in 3.1 en 3.2 aan [eiser 1+2] betaalt:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>ontbindt de huurovereenkomst tussen partijen en veroordeelt [gedaagde] om binnen 14 dagen daarna de woning op het adres [adres] te ontruimen en leeg en ontruimd op te leveren aan [eiser 1+2] en daarbij alle sleutels te overhandigen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van der Kolk en in het openbaar uitgesproken.</para>
        <para>33394</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_d28c84c9-6b5f-4ed7-a44f-398cfa07bbd6" label="1">
    <para> Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f1224319-2a12-4798-ac97-6b89b054ea0a" label="2">
    <para> Hoge Raad 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691, 3.7.1-3.7.3</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f3bd2417-7757-4793-a275-d6998b2c255f" label="3">
    <para> Hof van Justitie van de Europese Unie 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>