<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2024:1110</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-02-23T11:18:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-02-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-02-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10785546</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:1110">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:1110</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-02-23T11:16:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-02-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2024:1110 Rechtbank Rotterdam , 09-02-2024 / 10785546</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2024:1110:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ontvankelijkheid verzet, daad van bekendheid, verzet te laat.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2024:1110:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
<uitspraak.info>
<bridgehead role="bold">
RECHTBANK ROTTERDAM
</bridgehead>
<para />
<parablock>
<para>
locatie Rotterdam
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
zaaknummer: 10785546 CV EXPL 23-29754
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
datum uitspraak: 9 februari 2024
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="bold">
Vonnis van de kantonrechter
</emphasis>
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
in de zaak van
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="bold">
Intrum Nederland B.V.
</emphasis>
,
</para>
<para>
vestigingsplaats: Amsterdam,
</para>
<para>
eiseres,
</para>
<para>
gemachtigde: LAVG,
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
tegen
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="bold">
[gedaagde01]
</emphasis>
,
</para>
<para>
woonplaats: [woonplaats01] ,
</para>
<para>
gedaagde,
</para>
<para>
gemachtigde: mr. G. Grijs.
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
De partijen worden hierna ‘Intrum’ en ‘ [gedaagde01] ’ genoemd.
</para>
</parablock>
<para />
</uitspraak.info>
<section>
<title>
<nr>
1
</nr>
De procedure
</title>
<para>
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
</para>
<itemizedlist mark="-">
<listitem>
<para>
de dagvaarding van 26 maart 2008, met bijlagen;
</para>
</listitem>
<listitem>
<para>
het verstekvonnis van deze rechtbank van 15 mei 2008 met zaaknummer 886158 \ CV EXPL 08-15705;
</para>
</listitem>
<listitem>
<para>
de verzetdagvaarding van 27 oktober 2023, met bijlagen;
</para>
</listitem>
<listitem>
<para>
het antwoord in verzet, met bijlagen;
</para>
</listitem>
<listitem>
<para>
de repliek in verzet, met bijlagen.
</para>
</listitem>
</itemizedlist>
<para />
</section>
<section role="overwegingen">
<title>
<nr>
2
</nr>
De beoordeling
</title>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="italic">
Wat is de kern van de zaak?
</emphasis>
</para>
</parablock>
<para />
<paragroup>
<nr>
2.1.
</nr>
<para>
De rechtsvoorgangster van Intrum, Lindorff Purchase B.V. (hierna: ‘Lindorff’), heeft [gedaagde01] op 26 maart 2008 gedagvaard in verband met een aan Lindorff gecedeerde vordering van T-Mobile Netherlands B.V (hierna: ‘T-Mobile’) op [gedaagde01] . In het verstekvonnis van 15 mei 2008 is [gedaagde01] vervolgens veroordeeld om aan Lindorff een bedrag van € 2.528,99 te betalen, met rente en kosten. [gedaagde01] betwist dat hij een overeenkomst met T-Mobile is aangegaan en stelt dat hij nooit facturen, herinneringen en aanmaningen van T-Mobile heeft ontvangen. [gedaagde01] is daarom in verzet gegaan tegen het verstekvonnis en eist dat de oorspronkelijke vordering van Lindorff wordt afgewezen.
</para>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
2.2.
</nr>
<para>
Intrum is het niet eens met [gedaagde01] en vindt dat [gedaagde01] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzet. Volgens Intrum heeft [gedaagde01] te laat verzet ingesteld, omdat uit diverse handelingen volgt dat [gedaagde01] al ruim voor het betekenen van de verzetdagvaarding bekend was met (de inhoud van) het verstekvonnis. Intrum verzoekt daarnaast de proceskosten te compenseren.
</para>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
2.3.
</nr>
<para>
De kantonrechter verklaart [gedaagde01] niet-ontvankelijk in zijn verzet. Hierna wordt uitgelegd waarom.
</para>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="italic">
Het wettelijke toetsingskader
</emphasis>
</para>
</parablock>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
2.4.
</nr>
<para>
In artikel 143 lid 2 Rv is bepaald dat het verzet moet worden gedaan bij exploot van dagvaarding binnen vier weken na betekening van het verstekvonnis of van enige uit kracht daarvan opgemaakte of ter uitvoering daarvan strekkende akte aan de veroordeelde in persoon, of na het plegen door de veroordeelde van een daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging aan hem bekend is. Tussen partijen staat niet ter discussie dat het verstekvonnis niet aan [gedaagde01] in persoon is betekend.
</para>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
2.5.
</nr>
<para>
De Hoge Raad heeft de maatstaf van artikel 143 lid 2 Rv, die inhoudt dat de verzettermijn aanvangt na het plegen door de veroordeelde van een daad van bekendheid, zodanig ingevuld dat de veroordeelde zélf een handeling moet hebben verricht waaruit ondubbelzinnig valt op te maken dat hij over voldoende gegevens met betrekking tot (de inhoud van) zijn veroordeling beschikt om zich daartegen tijdig en adequaat te kunnen verzetten
<footnote-ref linkend="_f5febb88-5e21-40a9-9921-60f00c010550" />
. Voldoende is dat hij ermee bekend is op vordering van wie, waartoe en door welk gerecht hij is veroordeeld
<footnote-ref linkend="_68731d49-7ebc-47bd-87b3-f20234e74334" />
, kortom, dat hij bekend is met de hoofdinhoud van het vonnis
<footnote-ref linkend="_11a3ba99-747b-4408-b9e9-330f28aef267" />
. Volgens vaste rechtspraak kan een daad van een vertegenwoordiger van de veroordeelde buiten rechte, waaruit volgt dat de vertegenwoordiger bekend is met de veroordeling bij verstek, op zichzelf niet als daad van bekendheid van de veroordeelde zelf gelden, ook niet als de vertegenwoordiger daarbij namens de veroordeelde is opgetreden
<footnote-ref linkend="_3d41c0cd-95aa-4e0f-9d47-07b5355ee5b4" />
.
</para>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
2.6.
</nr>
<para>
Het is onder omstandigheden wél mogelijk dat op grond van een daad van een vertegenwoordiger het vermoeden gerechtvaardigd is dat daaraan een voorafgaande daad van bekendheid van de veroordeelde zelf ten grondslag ligt, behoudens door de veroordeelde aan te voeren bijzondere omstandigheden.
</para>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="italic">
[gedaagde01] heeft te laat verzet ingesteld
</emphasis>
</para>
</parablock>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
2.7.
</nr>
<para>
Uit de door Intrum overgelegde stukken volgt dat de heer [naam01] namens [gedaagde01] , wiens belangen hij behartigt, op 24 juli 2023 een e-mail naar de gemachtigde van Intrum heeft gestuurd. In die e-mail vraagt [naam01] om de originele overeenkomst of factuur, die ten grondslag ligt aan een lopende betalingsregeling van € 50,- per maand, die bij Intrum bekend is onder dossiernummer 10781658, aan hem toe te sturen. De gemachtigde van Intrum heeft vervolgens per e-mail van 3 augustus 2023 de dagvaarding van 26 maart 2008 en het verstekvonnis aan [naam01] gestuurd. Die stukken zijn door [naam01] ontvangen. [naam01] bedankt de gemachtigde van Intrum in zijn e-mail van 20 september 2023 immers voor het voorgaande bericht en verzoekt vervolgens nog eens om toezending van de originele overeenkomst tussen [gedaagde01] en T-Mobile.
</para>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
2.8.
</nr>
<para>
Deze gang van zaken leidt naar het oordeel van de kantonrechter tot een vermoeden dat [gedaagde01] voorafgaand aan de mail van 20 september 2023 bekend moet zijn geworden met de (hoofd)inhoud van het verstekvonnis. Er kan immers van worden uitgegaan dat [naam01] de door hem ontvangen stukken aan [gedaagde01] heeft doorgezonden / met hem heeft doorgenomen om zodoende in overleg eventuele vervolgstappen richting de gemachtigde van Intrum te kunnen bepalen. De kantonrechter ziet in de door partijen overgelegde stukken geen aanleiding te veronderstellen dat die gebruikelijke werkwijze in dit geval niet zou zijn gevolgd. Het tijdsverloop tussen het ontvangen van de dagvaarding en het verstekvonnis door [naam01] en het verzoek om alsnog de originele overeenkomst toe te sturen - ruim zes weken - wijst er ook op dat [naam01] [gedaagde01] op de hoogte heeft gesteld van de (hoofd)inhoud van het verstekvonnis. Als [naam01] dat níet zou hebben gedaan, valt immers niet te verklaren waarom [naam01] de originele overeenkomst niet direct na ontvangst van de e-mail van Intrum van 3 augustus 2023 alsnog heeft opgevraagd, maar daarmee maar liefst anderhalve maand heeft gewacht.
</para>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
2.9.
</nr>
<para>
Door [gedaagde01] zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die – indien bewezen – zouden kunnen meebrengen dat het hiervoor bedoelde vermoeden onjuist zou zijn. Daarom wordt er van uitgegaan dat [gedaagde01] op of voorafgaand aan 20 september 2023 een daad van bekendheid heeft gepleegd
<footnote-ref linkend="_167c222e-95b2-41fd-b872-8171d34a5237" />
.
</para>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
2.10.
</nr>
<para>
De verzetdagvaarding is betekend op 27 oktober 2023. Dat betekent dat het verzet niet is gedaan binnen vier weken nadat [gedaagde01] een daad van bekendheid heeft gepleegd (op of vóór 20 september 2023). Omdat [gedaagde01] het verzet te laat heeft ingesteld wordt hij hierin niet-ontvankelijk verklaard.
</para>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="italic">
Proceskosten
</emphasis>
</para>
</parablock>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
2.11.
</nr>
<para>
[gedaagde01] krijgt ongelijk, zodat hij in beginsel de proceskosten van Intrum zou moeten betalen. Intrum heeft echter verzocht [gedaagde01] niet in de proceskosten te veroordelen, maar deze te compenseren. Om die reden wordt bepaald dat partijen ieder de eigen kosten van de verzetprocedure dragen.
</para>
<para />
</paragroup>
</section>
<section role="beslissing">
<title>
<nr>
3
</nr>
De beslissing
</title>
<para>
De kantonrechter:
</para>
<para />
<paragroup>
<nr>
3.1.
</nr>
<para>
verklaart [gedaagde01] niet-ontvankelijk in zijn verzet;
</para>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
3.2.
</nr>
<para>
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van de verzetprocedure draagt;
</para>
<para />
<parablock>
<para>
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout en in het openbaar uitgesproken.
</para>
<para>
44487
</para>
</parablock>
</paragroup>
</section>
<footnote id="_f5febb88-5e21-40a9-9921-60f00c010550" label="1">
<para>
Hoge Raad 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ0652
</para>
</footnote>
<footnote id="_68731d49-7ebc-47bd-87b3-f20234e74334" label="2">
<para>
Hoge Raad 9 januari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5501
</para>
</footnote>
<footnote id="_11a3ba99-747b-4408-b9e9-330f28aef267" label="3">
<para>
Hoge Raad 12 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:AC2381
</para>
</footnote>
<footnote id="_3d41c0cd-95aa-4e0f-9d47-07b5355ee5b4" label="4">
<para>
Hoge Raad 8 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1325
</para>
</footnote>
<footnote id="_167c222e-95b2-41fd-b872-8171d34a5237" label="5">
<para>
Zie in dit verband ook: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 1 oktober 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:8019
</para>
</footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>