<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2024:10881</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-11-04T14:47:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-11-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-11-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10939315 CV EXPL 24-4521</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:10881">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:10881</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-11-04T14:46:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-11-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2024:10881 Rechtbank Rotterdam , 01-11-2024 / 10939315 CV EXPL 24-4521</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2024:10881:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>overeenkomst van opdracht; bewijsnood eiseres; voorshands bewezen; gedaagde mag tegenbewijs leveren</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2024:10881:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Rotterdam</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 10939315 CV EXPL 24-4521</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>datum uitspraak: 1 november 2024</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van de kantonrechter</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [persoon A] ,</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">die handelt onder de naam [handelsnaam A]</emphasis>,</para>
      <para>woonplaats: Schiedam,</para>
      <para>eiseres in conventie, tevens eiseres in het (voorwaardelijke) incident,</para>
      <para>verweerster in (voorwaardelijke) reconventie,</para>
      <para>gemachtigde: gerechtsdeurwaarders Van Beest, Knol &amp; Vermeulen, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [bedrijf B] ,</emphasis>
      </para>
      <para>vestigingsplaats: Schiedam,</para>
      <para>gedaagde in conventie, tevens gedaagde in het (voorwaardelijke) incident,</para>
      <para>eiseres in (voorwaardelijke) reconventie,</para>
      <para>gemachtigde: mr. I. Roseboom en mr. F. Hintzen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De partijen worden hierna ‘ [persoon A] ’ en ‘ [bedrijf B] ’ genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding van 8 februari 2024 met de (voorwaardelijke) eis in het incident, met bijlagen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het antwoord in de hoofdzaak met het antwoord in het (voorwaardelijke) incident en de (voorwaardelijke) eis in reconventie (tegeneis), met bijlagen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de akte met het antwoord in de (voorwaardelijke) reconventie, met bijlagen.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Op 6 september 2024 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. [persoon A] was aanwezig met mr. M.P.A. Knol. Namens [bedrijf B] is [persoon B] (Ceo Pre-groep) verschenen met de gemachtigde mr. I. Roseboom.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geschil</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">in conventie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">de hoofdzaak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [persoon A] vordert (samengevat):</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>
            [bedrijf B] te veroordelen aan haar te betalen € 9.121,75 met rente;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            [bedrijf B] te veroordelen in de proceskosten met rente;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het bedrag dat wordt gevorderd bestaat uit de hoofdsom van € 7.853,-, de vervallen rente van € 501,10 (berekend tot en met 8 februari 2024) en de buitengerechtelijke kosten van € 767,65.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [persoon A] baseert de vordering op het volgende. [persoon A] heeft in opdracht van [bedrijf B] werkzaamheden verricht als projectmanager. [bedrijf B] heeft een deel van de werkzaamheden niet betaald. [persoon A] vordert betaling van een tweetal facturen. De factuur van 14 april 2023 van € 5.324,- en de factuur van  1 september 2023 van € 2.529,-. Daarnaast is [bedrijf B] rente en een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten verschuldigd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>
        [bedrijf B] voert verweer.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">het (voorwaardelijke) incident</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [persoon A] vordert (samengevat):</para>
        <para>
          [bedrijf B] te veroordelen tot afgifte van schriftelijke of digitale e-mails van het door haar gebruikte bedrijfsaccount [accountnaam] over de periode 21 april 2022 tot en met 1 oktober 2023 op straffe van verbeurte van een dwangsom, kosten rechtens.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>
        [persoon A] legt hieraan ten grondslag dat zij, om te kunnen voldoen aan een eventuele bewijsopdracht, recht en belang heeft bij de onder 2.4 genoemde stukken. De (digitale) stukken bevinden zich onder [bedrijf B] . [bedrijf B] weigert deze stukken aan [persoon A] te overhandigen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">in (voorwaardelijke) reconventie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>
        [bedrijf B] vordert (samengevat):</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>
            [persoon A] te bevelen om alle bestanden en documenten die eigendom zijn van [bedrijf B] of een aan haar gelieerde onderneming of documenten met bedrijfsgevoelige informatie van  [bedrijf B] of een aan haar gelieerde onderneming die [persoon A] onder zich heeft, op een lokale gegevensdrager aan [bedrijf B] over te dragen of af te geven op locatie bij [bedrijf B] , zodat [bedrijf B] kan controleren dat [persoon A] alle bestanden en documenten heeft overgedragen c.q. afgegeven en [persoon A] te bevelen de documenten na overdracht te verwijderen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            [persoon A] te veroordelen in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen, met rente;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>
        [bedrijf B] baseert de vordering op het volgende. [bedrijf B] wil alle bestanden en documenten die haar eigendom zijn en die [persoon A] onder zich heeft terug ontvangen. Zij wil kunnen controleren of [persoon A] alles heeft overgedragen. [persoon A] werkt hier niet aan mee. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>
        [persoon A] voert verweer.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bevoegdheid</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [bedrijf B] stelt in de eerste plaats dat de kantonrechter niet bevoegd is van dit geschil kennis te nemen. Partijen zijn een alternatieve vorm van geschilbeslechting overeengekomen in artikel 11 van de overeenkomst van opdracht. Het artikel luidt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Artikel 11- Geschillen</emphasis>
        </para>
        <para>Partijen zullen met elkaar in overleg treden om geschillen, voortvloeiend uit of verband houdende met enige bepaling uit deze overeenkomst, in der minne op te lossen. Geschillen die niet in onderling overleg kunnen worden opgelost zullen worden voorgelegd aan een geschillencommissie bestaande uit drie leden. Eén lid wordt benoemd door elk der partijen. Deze twee leden benoemen gezamenlijk een derde lid. De geschillencommissie brengt een advies uit. Indien geschillen die niet in onderling overleg kunnen worden opgelost, worden voorgelegd aan de rechtbank te Rotterdam.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>De kantonrechter overweegt dat uit de bewoordingen van het beding kan worden afgeleid dat een geschil, als partijen er in onderling overleg niet uitkomen, (ook) aan de rechtbank Rotterdam kan worden voorgelegd. Er zijn door [bedrijf B] geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan kan worden vastgesteld dat het de bedoeling van partijen is geweest de mogelijkheid van een gerechtelijke procedure uit te sluiten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>De kantonrechter verklaart zich gelet op het voorgaande bevoegd van het geschil kennis te nemen. Een en ander betekent ook dat geen sprake is van misbruik van recht door [persoon A] omdat zij voor de gang naar de rechter heeft gekozen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">in conventie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>
        [persoon A] vordert nakoming van de betalingsverplichting die voortvloeit uit de overeenkomst. Volgens [persoon A] lag niet van tevoren vast hoeveel uur zij aan een project zou besteden. Het ging veelal mondeling. [persoon A] werkt al zeven jaar voor [bedrijf B] . Zo is dat altijd gegaan. In goed vertrouwen en zonder problemen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>
        [bedrijf B] beroept zich op nadere instructies die aan [persoon A] zijn gegeven in verband met de beperking van het budget. Volgens [bedrijf B] zijn in december 2022 de non-declarabele werkzaamheden stopgezet. Zij wijst op de e-mail van 1 december 2022 van de heer [persoon C] aan [persoon A] :</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Hoe vervelend ook, op dit moment staan wij door uitblijven van betalingen van onze klanten en opdrachtgevers in de stand dat we per direct stoppen met alle inhuur en inzet van non-declarabele uren. Dat betekent als er geen dekking is voor de uren binnen het project deze niet gemaakt kunnen worden.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dat betekent dan ook dat MATLAB, PVC opvolging of andere inzet worden opgeschort tot tenminste Q1 of tot nadere mededeling van onze zijde.</para>
        <para>(…)”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Verder voert [bedrijf B] aan dat aan [persoon A] is meegedeeld dat zij vanaf 16 maart 2023 alleen nog zou worden ingezet op het [naam project] ( [afkorting naam project] ). [bedrijf B] wijst op de e-mail van 16 maart 2023 van [persoon C] aan [persoon A] :</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Wij hebben in het directieoverleg geconstateerd dat er geen extra budget is.</para>
        <para>(…)</para>
        <para>
          <emphasis role="bold">Dat betekent na ons directiebesluit het volgende:</emphasis>
        </para>
        <para>enkel een inhuurbehoefte voor jou voor het [afkorting naam project] blijft staan (is ook het enige contract nog) dat de 65 uur op [afkorting naam project] gespreid moet worden over de komende 11 weken.</para>
        <para>Dus minus deze week, volgens ons dus 57 uur na vandaag.</para>
        <para>Wat in onze berekening globaal neerkomt op 5 uur week voor de komende 10 weken.</para>
        <para>Het contract zullen we met je verlengen naar week 21/22.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Natuurlijk loopt er op de achtergrond van alles maar dat wordt de komende weken duidelijker.</para>
        <para>Daarvoor zullen we apart met je om tafel gaan en bijbehorende contracten opstellen.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>
        [bedrijf B] heeft aan de hand van de urenspecificatie van [persoon A] (bijlage 13 bij de conclusie van antwoord) uiteengezet welke uren door haar concreet worden betwist. Van de factuur van 14 april 2023 betwist [bedrijf B] 43 uur. De verschuldigdheid van 39 uren die zijn besteed aan het [afkorting naam project] wordt erkend. Van de factuur van 1 september 2023 worden de in rekening gebrachte uren ná 13 juli 2023 betwist behalve de uren op 19 juli en 18 augustus 2023. Het gaat in totaal om 14 betwiste uren. Het gaat per saldo dus om 57 uren die door [bedrijf B] worden betwist. De rest moet sowieso betaald worden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>Op [persoon A] rust in beginsel de bewijslast van haar stelling dat zij opdracht heeft gekregen voor de werkzaamheden die hier worden betwist. Zij heeft in het incident gevorderd dat [bedrijf B] (kort gezegd) de daarvoor benodigde gegevens aanlevert (art. 843a Rv). [bedrijf B] heeft echter aangevoerd dat zij de gevraagde bescheiden niet meer tot haar beschikking of onder haar berusting heeft. Het bedrijfsaccount van [persoon A] zou zijn verwijderd na haar vertrek. In elk geval heeft [bedrijf B] [persoon A] afgesloten van haar bedrijfsaccount. Zij kan daardoor niet aan de hand van e-mails laten zien dat zij bijvoorbeeld op het werk werd verwacht of bij een bespreking aanwezig is geweest. Of de informatie op de bedrijfsaccount nog teruggehaald kon worden is, ondanks de lange periode dat dit geschil over de uren al bestaat, nog niet door [bedrijf B] onderzocht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <para>De kantonrechter ziet in de bewijsnood aan de kant van [persoon A] (mede) aanleiding voorshands bewezen te achten dat [persoon A] de 57 uren die door [bedrijf B] worden betwist in opdracht en met instemming van [bedrijf B] heeft gewerkt. [bedrijf B] mag tegenbewijs leveren. Dit betekent dat [bedrijf B] gelegenheid krijgt het voorshands geleverd geachte bewijs te ontzenuwen. Het betekent ook meteen dat de hiervoor geciteerde e-mails van 1 december 2022 en 16 maart 2023 waarop [bedrijf B] zich beroept, daartoe tot dusverre onvoldoende zijn. De e-mail van 12 december 2022 is onvoldoende duidelijk. De vraag is wat [persoon A] precies moest verstaan onder ‘non-declarabele uren’ uit de e-mail van 1 december 2022. Verder is er op 16 maart 2023 op zichzelf genomen een duidelijk instructie over het aantal uren gegeven, maar zijn er vervolgens wel andere facturen betaald die dateren tussen april en september 2023 (de factuurdata waar het hier om gaat). Hoe dat zich verhoudt met de aanwijzingen uit het bericht van 16 maart 2023 is niet duidelijk. Het wordt er daarom vooralsnog voor gehouden dat in de praktijk klaarblijkelijk van de instructies weer werd afgeweken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10.</nr>
      <para>In het voorgaande ligt besloten dat de vordering in het incident (art. 843a Rv) wordt afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11.</nr>
      <para>De zaak zal naar de rol van 27 november 2024 worden verwezen zodat [bedrijf B] zich kan uitlaten over het door haar te leveren tegenbewijs. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12.</nr>
      <para>Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">in reconventie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.13.</nr>
      <para>
        [bedrijf B] wil, kort gezegd, dat [persoon A] alle documenten en bestanden die eigendom zijn van [bedrijf B] en die [persoon A] onder zich heeft overdraagt aan [bedrijf B] . [persoon A] voert aan dat zij al haar documenten en bestanden die op haar (oude) laptop stonden geplaatst heeft op de Google Drive van [bedrijf B] . Gezien de enorme grootte van de bestanden is de Drive kennelijk vastgelopen, aldus [persoon A] . [persoon A] heeft [bedrijf B] gevraagd een externe harde schijf aan te leveren, zodat zij de bestanden daarop kan plaatsen. Tijdens de zitting heeft [bedrijf B] toegelicht dat dit voor haar niet voldoende is. [bedrijf B] wil kunnen controleren of [persoon A] alle bestanden die zij onder zich heeft overdraagt. Zij heeft [bedrijf B] uitgenodigd met haar laptop naar kantoor te komen zodat haar laptop kan worden nagelopen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.14.</nr>
      <para>De kantonrechter overweegt dat [persoon A] bestanden en documenten die toebehoren aan [bedrijf B] moet overdragen. Het gaat echter te ver om van [persoon A] te verlangen dat zij haar privélaptop moet laten doorzoeken door [bedrijf B] . [bedrijf B] heeft ook geen argumenten genoemd op basis waarvan zou moeten worden geconcludeerd dat er sprake is van ongeoorloofd gebruik van gegevens van [bedrijf B] door [persoon A] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.15.</nr>
      <para>De vordering van [bedrijf B] wordt afgewezen. Aan partijen wordt meegegeven dit onderling op te lossen, wellicht op de door [persoon A] voorgestelde manier. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.16.</nr>
      <para>Het oordeel over de proceskostenveroordeling wordt aangehouden totdat in de hoofdzaak in conventie is beslist. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">in conventie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">in het incident</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst de vordering van [persoon A] af;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">in de hoofdzaak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>draagt [bedrijf B] op om tegenbewijs te leveren tegen het voorlopig vaststaande feit dat [persoon A] in opdracht en voor rekening van [bedrijf B] de door [bedrijf B] betwiste 57 uren (zie rechtsoverweging 3.7 tot en met 3.9) uit de factuur van 14 april 2023 en de factuur van 1 september 2023 heeft gewerkt;</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">schriftelijk bewijs</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>bepaalt dat als [bedrijf B] schriftelijk bewijs wil leveren dit bewijs uiterlijk een dag voor de rolzitting van <emphasis role="bold">27 november 2024</emphasis> in tweevoud moet zijn ontvangen op de rechtbank;</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">getuigenbewijs</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>bepaalt dat als [bedrijf B] getuigen wil laten horen, zij uiterlijk een dag voor de rolzitting die hiervoor is genoemd het aantal en de personalia van de getuigen moet opgeven en de verhinderdata van de getuigen en <emphasis role="underline">beide</emphasis> partijen voor de maanden december 2024 en januari en februari 2025;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>wijst erop dat [bedrijf B] na het bepalen van een datum en plaats voor het getuigenverhoor zelf de getuigen moet oproepen;</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">ander bewijs</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>bepaalt dat als [bedrijf B] op een andere manier bewijs wil leveren, zij uiterlijk een dag voor de rolzitting die hiervoor is genoemd aan de kantonrechter moet laten weten hoe;</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">in reconventie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>wijst de vordering van [bedrijf B] af;</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">in conventie en in reconventie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. A. Lablans en in het openbaar uitgesproken.</para>
        <para>540</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>