<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2023:819</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-02-08T12:08:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-02-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-02-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/10/650041 / KG ZA 22-1087</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#kortGeding">Kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2023:819">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2023:819</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-02-08T12:07:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-02-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2023:819 Rechtbank Rotterdam , 07-02-2023 / C/10/650041 / KG ZA 22-1087</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2023:819:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>KG. Geschil tussen ex-partners over het uitsluitend gebruik van de gezamenlijke woning.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2023:819:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
<inlinemediaobject><imageobject><imagedata align="center" depth="2" fileref="b6ddc334-4267-433f-9f6f-6ee48e86312c" format="image/png" scale="100" width="13" /></imageobject></inlinemediaobject>
<inlinemediaobject><imageobject><imagedata align="center" depth="2" fileref="796fd188-25c4-4ae1-98a2-411dca20ef99" format="image/png" scale="100" width="523" /></imageobject></inlinemediaobject>
vonnis
</para>
    <bridgehead role="bold">
RECHTBANK ROTTERDAM
</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
Team handel en haven
</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
zaaknummer / rolnummer: C/10/650041 / KG ZA 22-1087
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
<emphasis role="bold">
Vonnis in kort geding van 7 februari 2023
</emphasis>
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
in de zaak van
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
<emphasis role="bold">
[eiseres01]
</emphasis>
,
</para>
      <para>
wonende te Spijkenisse,
</para>
      <para>
eiseres in conventie,
</para>
      <para>
verweerster in reconventie,
</para>
      <para>
advocaat mr. R.D.Z. Asmus te Brielle,
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
tegen
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
<emphasis role="bold">
[gedaagde01]
</emphasis>
,
</para>
      <para>
wonende te Spijkenisse,
</para>
      <para>
gedaagde in conventie,
</para>
      <para>
eiser in reconventie,
</para>
      <para>
advocaat mr. F.J.V.H. Stoffels te Zevenbergen.
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.
</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
<nr>
1.
</nr>
De procedure
</title>
    <paragroup>
      <nr>
1.1.
</nr>
      <para>
Het verloop van de procedure blijkt uit:
</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>
de dagvaarding van 6 januari 2023, met 3 producties;
</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie,
</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>
met 2 producties;
</para>
      <para>
- de mondelinge behandeling op 24 januari 2023.
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
1.2.
</nr>
      <para>
Aan het einde van de zitting heeft de voorzieningenrechter bepaald dat er vonnis wordt gewezen op 7 februari 2023.
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
1.3.
</nr>
      <para>
Bij e-mail van 3 februari 2023 heeft de man aan de voorzieningenrechter en aan de vrouw medegedeeld dat hij inmiddels andere woonruimte heeft gevonden en daarom zijn vordering in reconventie intrekt. Wel verzoekt hij de voorzieningenrechter hem in de gelegenheid te stellen om tot en met 28 februari 2023 in de gezamenlijke woning van partijen te verblijven. Bij antwoordmail van diezelfde dag heeft de vrouw te kennen gegeven haar vordering in conventie te handhaven, maar ermee in te kunnen stemmen dat het uitsluitend gebruik van de woning ingaat per 29 februari 2023.
</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
<nr>
2.
</nr>
De feiten
</title>
    <paragroup>
      <nr>
2.1.
</nr>
      <para>
Partijen hadden sinds 18 maart 1992 een affectieve relatie. Op 1 september 2000 hebben partijen een samenlevingsovereenkomst gesloten. Samen hebben zij twee minderjarige kinderen.
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
2.2.
</nr>
      <para>
Sinds 4 september 2000 zijn partijen gezamenlijk eigenaar van de woning gelegen aan het [adres01] te [plaats01] (hierna: de woning). De woning is in opdracht van partijen getaxeerd op 14 oktober 2021. De taxatiewaarde bedroeg toen € 280.000,-.
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
2.3.
</nr>
      <para>
Op 1 januari 2019 heeft de vrouw tegen de man uitgesproken dat de relatie wat haar betreft beëindigd was. Bij brief van 19 januari 2022 heeft de vrouw de samenlevingsovereenkomst ontbonden.
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
2.4.
</nr>
      <para>
Partijen wonen thans nog steeds gezamenlijk in de woning en hebben een geschil over de verdeling van de gemeenschap.
</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
<nr>
3.
</nr>
Het geschil
</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>
3.1.
</nr>
      <para>
De vrouw vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
</para>
      <para />
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>
aan de vrouw het uitsluitend gebruik van de woning en de bijbehorende inboedel toe te kennen, met het gebod dat de man de woning met onmiddellijke ingang dient te verlaten, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag, met een maximum van € 10.000,-, althans een bedrag door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen;
</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
de man te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke handelsrente.
</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
3.2.
</nr>
      <para>
De man voert verweer.
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
3.3.
</nr>
      <para>
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
<nr>
4.
</nr>
De beoordeling
</title>
    <paragroup>
      <nr>
4.1.
</nr>
      <para>
De man heeft zijn eis in reconventie ingetrokken, zodat alleen de vordering in conventie ter beoordeling voorligt.
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
4.2.
</nr>
      <parablock>
        <para>
De man heeft zijn aanvankelijke verweer tegen het uitsluitend gebruik van de woning door de vrouw laten vallen. Hij heeft verklaard dat hij een nieuwe huurwoning heeft gevonden en op 11 februari 2023 de sleutels van die woning zal ontvangen. Hij vraagt hem een termijn te verlenen tot en met 28 februari 2023 om in de woning te verblijven. De vrouw heeft te kennen gegeven tegen dat verzoek geen bezwaar te hebben.
</para>
        <para>
Onder die omstandigheden wordt het uitsluitend gebruik van de woning toegekend aan de vrouw met ingang van 29 februari 2023. De man dient uiterlijk op 28 februari 2023 de woning te hebben verlaten. De aan die veroordeling te verbinden dwangsom wordt beperkt tot € 100,- per dag, met een maximum van € 5.000,-.
</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
4.3.
</nr>
      <para>
Aangezien partijen een affectieve relatie hebben gehad, worden de proceskosten gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dat de vrouw genoodzaakt is om de onderhavige procedure aanhangig te maken, omdat de man weigert de woning te verlaten, is geen reden om af te wijken van de hoofdregel. De man heeft immers, als mede-eigenaar, in beginsel evengoed recht om in de woning te verblijven als de vrouw.
</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
<nr>
5.
</nr>
De beslissing
</title>
    <para>
De voorzieningenrechter:
</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>
5.1.
</nr>
      <para>
kent aan de vrouw het uitsluitend gebruik van de woning en de bijbehorende inboedel toe met ingang van 29 februari 2023;
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
5.2.
</nr>
      <para>
gebiedt de man om uiterlijk op 28 februari 2023 de woning te verlaten;
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
5.3.
</nr>
      <para>
veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 100,- voor iedere dag dat hij, na betekening van dit vonnis, niet aan de in 5.2. uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 5.000,- is bereikt;
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
5.4.
</nr>
      <para>
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
5.5.
</nr>
      <para>
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
5.6.
</nr>
      <para>
wijst het meer of anders gevorderde af.
</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2023.
</para>
        <para>
2091 / 1980
</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>