<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2023:6484</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-08-07T11:18:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-07-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-07-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10282265</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2023:6484">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2023:6484</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-08-07T11:17:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-08-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2023:6484 Rechtbank Rotterdam , 21-07-2023 / 10282265</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2023:6484:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Nakoming van overeenkomst waarin gedaagden zich hoofdelijk hebben verbonden tot betaling van een openstaand factuurbedrag.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2023:6484:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
<uitspraak.info>
<bridgehead role="bold">
RECHTBANK ROTTERDAM
</bridgehead>
<para />
<parablock>
<para>
locatie Rotterdam
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
zaaknummer: 10282265 CV EXPL 23-1625
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
datum uitspraak: 21 juli 2023
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="bold">
Vonnis van de kantonrechter
</emphasis>
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
in de zaak van
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="bold">
[advocatenkantoor01] ,
</emphasis>
die handelt onder de naam [handelsnaam01] ,
</para>
<para>
vestigingsplaats: [vestigingsplaats01] ,
</para>
<para>
eiseres in conventie,
</para>
<para>
verweerster in reconventie,
</para>
<para>
gemachtigde: mr. P.A. de Lange,
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
tegen
</para>
</parablock>
<para />
</uitspraak.info>
<section>
<title>
<nr>
1
</nr>
[persoon01] ,
</title>
<parablock>
<para>
woonplaats: [woonplaats01] ,
</para>
<para>
die zelf procedeert,
</para>
</parablock>
<para>
<emphasis role="bold">
2. [bedrijf01] .
</emphasis>
,
</para>
<parablock>
<para>
vestigingsplaats: [vestigingsplaats02] ,
</para>
<para>
vertegenwoordigd door: de heer [persoon01] ,
</para>
</parablock>
<para>
<emphasis role="bold">
3. [bedrijf02] .
</emphasis>
,
</para>
<parablock>
<para>
vestigingsplaats: [vestigingsplaats02] ,
</para>
<para>
vertegenwoordigd door: de heer [persoon01] ,
</para>
</parablock>
<para>
<emphasis role="bold">
4. [bedrijf03] .
</emphasis>
,
</para>
<parablock>
<para>
vestigingsplaats: [vestigingsplaats02] ,
</para>
<para>
vertegenwoordigd door: de heer [persoon01] ,
</para>
<para>
gedaagden in conventie,
</para>
<para>
eisers in reconventie.
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
Partijen worden hierna ‘ [advocatenkantoor01] ’ en ‘ [persoon01] c.s.’ (vrouwelijk enkelvoud) genoemd.
</para>
</parablock>
<para />
</section>
<section>
<title>
<nr>
1
</nr>
De procedure
</title>
<paragroup>
<nr>
1.1.
</nr>
<para>
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
</para>
<itemizedlist mark="-">
<listitem>
<para>
de dagvaarding van 4 januari 2023, met producties;
</para>
</listitem>
<listitem>
<para>
het antwoord met eis in reconventie (tegeneis).
</para>
</listitem>
</itemizedlist>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
1.2.
</nr>
<para>
Op 16 juni 2023 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling met partijen besproken. Namens [advocatenkantoor01] is mr. B.C. Doolaard verschenen. Namens [bedrijf 01] c.s. is de heer [persoon01] verschenen.
</para>
<para />
<para />
<para />
<para />
</paragroup>
</section>
<section role="overwegingen">
<title>
<nr>
2
</nr>
De beoordeling
</title>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="italic">
Waar gaat het om?
</emphasis>
</para>
</parablock>
<para />
<paragroup>
<nr>
2.1.
</nr>
<para>
[advocatenkantoor01] heeft vanaf 2 juli 2019 diverse werkzaamheden verricht voor [bedrijf03] Meerdere facturen bleven echter onbetaald. Daarom zijn partijen op 24 november 2021 overeengekomen dat [persoon01] c.s. in staat voor - in die zin dat zij hoofdelijk verbonden is tot - betaling van een totaal factuurbedrag van € 24.838,78, waarvan € 8.249,96 al was betaald. [persoon01] c.s. moet nu nog € 10.557,77 aan [advocatenkantoor01] betalen. [advocatenkantoor01] eist dat [persoon01] c.s. hoofdelijk wordt veroordeeld om dat bedrag aan haar te betalen, met handelsrente en buitengerechtelijke kosten van € 880,58. [persoon01] c.s. voert geen verweer tegen de eis van [advocatenkantoor01] , maar [persoon01] c.s. eist zelf dat [advocatenkantoor01] wordt veroordeeld om hetzelfde bedrag aan [persoon01] c.s. te betalen.
</para>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="italic">
De eis van [advocatenkantoor01] wordt toegewezen
</emphasis>
</para>
</parablock>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
2.2.
</nr>
<para>
[persoon01] c.s. betwist niet dat zij de overeenkomst van 24 november 2021 moet nakomen. De (resterende) hoofdsom van € 10.557,77 is dus toewijsbaar. [persoon01] c.s. wordt hoofdelijk veroordeeld tot betaling van dat bedrag.
</para>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
2.3.
</nr>
<para>
De wettelijke handelsrente over de hoofdsom is toewijsbaar, maar niet vanaf de vervaldata van de declaraties. [advocatenkantoor01] eist namelijk nakoming van de overeenkomst van 24 november 2021 en niet de betaling van de afzonderlijke declaraties die aan die overeenkomst ten grondslag liggen. De declaraties staan bovendien op naam van [bedrijf03] en brengen zonder de overeenkomst van 24 november 2021 geen betalingsverplichting voor [persoon01] c.s. met zich mee. De wettelijke handelsrente wijst de kantonrechter daarom toe vanaf de dag van de dagvaarding, zoals subsidiair geëist.
</para>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
2.4.
</nr>
<para>
De buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW). De rente over deze kosten wordt ook toegewezen.
</para>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="italic">
De tegeneis van [persoon01] c.s. wordt afgewezen
</emphasis>
</para>
</parablock>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
2.5.
</nr>
<para>
De kantonrechter begrijpt de tegeneis van [persoon01] c.s. zo dat zij stelt dat [advocatenkantoor01] tekortschiet in de nakoming van de opdrachtovereenkomst, omdat [advocatenkantoor01] nog geen kort geding is gestart in een geschil dat [persoon01] c.s. heeft met een derde. Die derde heeft volgens [persoon01] c.s. nog goederen van haar in zijn bezit en er is een kort geding nodig om die goederen terug te krijgen. Door het uitblijven van het kort geding lijdt [persoon01] c.s. naar eigen zeggen schade die minstens zo hoog is als de eis in conventie. [advocatenkantoor01] voert daartegen aan dat zij haar werkzaamheden heeft opgeschort door de wanbetaling van [persoon01] c.s.
</para>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
2.6.
</nr>
<para>
Het beroep van [advocatenkantoor01] op opschorting slaagt, omdat zij een opeisbare vordering heeft op [persoon01] c.s. uit hoofde van de overeenkomst van 24 november 2021. Daarom is [advocatenkantoor01] niet verplicht om de opdrachtovereenkomst na te komen. [advocatenkantoor01] schiet dus ook niet tekort in de nakoming van de opdrachtovereenkomst en alleen al om die reden kan geen sprake zijn van schade die door [advocatenkantoor01] vergoed moet worden. De tegeneis wordt daarom afgewezen.
</para>
<para />
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="italic">
Proceskosten
</emphasis>
</para>
</parablock>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
2.7.
</nr>
<para>
[persoon01] c.s. krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen (artikel 237 Rv). De kantonrechter stelt deze kosten in conventie aan de kant van [advocatenkantoor01] tot vandaag vast op € 118,61 aan dagvaardingskosten, € 514,- aan griffierecht en € 792,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 396,-). Dit is totaal € 1.424,61‬. In reconventie worden deze kosten aan de kant van [advocatenkantoor01] tot vandaag vastgesteld op nihil, omdat geen aparte proceshandelingen zijn verricht. Voor kosten die [advocatenkantoor01] maakt na deze uitspraak moet [persoon01] c.s. een bedrag betalen van € 132,-. Hier kan nog een bedrag bijkomen als de uitspraak wordt betekend. In dit vonnis hoeft hierover niet apart te worden beslist (ECLI:NL:HR:2022:853).
</para>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="italic">
Uitvoerbaarheid bij voorraad
</emphasis>
</para>
</parablock>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
2.8.
</nr>
<para>
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv).
</para>
<para />
</paragroup>
</section>
<section role="beslissing">
<title>
<nr>
3
</nr>
De beslissing
</title>
<para>
De kantonrechter:
</para>
<para />
<paragroup>
<nr>
3.1.
</nr>
<para>
veroordeelt [persoon01] c.s. hoofdelijk om aan [advocatenkantoor01] te betalen € 10.557,77 met de wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 4 januari 2023 tot de dag dat volledig is betaald;
</para>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
3.2.
</nr>
<para>
veroordeelt [persoon01] c.s. hoofdelijk om aan [advocatenkantoor01] te betalen € 880,58 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 4 januari 2023 tot de dag dat volledig is betaald;
</para>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
3.3.
</nr>
<para>
veroordeelt [persoon01] c.s. hoofdelijk in de proceskosten in conventie en in reconventie, die aan de kant van [advocatenkantoor01] tot vandaag worden vastgesteld op € 1.424,61;
</para>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
3.4.
</nr>
<para>
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
</para>
<para />
</paragroup>
<paragroup>
<nr>
3.5.
</nr>
<para>
wijst al het andere af.
</para>
<para />
<parablock>
<para>
Dit vonnis is gewezen door mr. D.L. Spierings en in het openbaar uitgesproken.
</para>
<para>
49039
</para>
</parablock>
</paragroup>
</section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>