<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2023:3757</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-05-09T14:01:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-05-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-05-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10249549 / CV EXPL 22-5086</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Dordrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2023:3757">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2023:3757</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-05-03T16:36:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-05-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2023:3757 Rechtbank Rotterdam , 04-05-2023 / 10249549 / CV EXPL 22-5086</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2023:3757:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Opzeggen koop-/aanneemovereenkomst. Aannemer had nog geen begin gemaakt met het werk, onvoldoende onderbouwd dat hij al kosten had gemaakt: moet aanbetaling volledig terugbetalen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2023:3757:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">
RECHTBANK ROTTERDAM
</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
locatie Dordrecht
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
zaaknummer: 10249549 / CV EXPL 22-5086
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
datum uitspraak: 4 mei 2023
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
<emphasis role="bold">
Vonnis van de kantonrechter
</emphasis>
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
in de zaak van
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
<emphasis role="bold">
H&amp;C Holding B.V.
</emphasis>
,
</para>
      <para>
vestigingsplaats: Delfgauw, gemeente Pijnacker-Nootdorp,
</para>
      <para>
eiseres,
</para>
      <para>
gemachtigde: De Incassokamer B.V.,
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
tegen
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
<emphasis role="bold">
[gedaagde01]
</emphasis>
, h.o.d.n.
<emphasis role="bold">
[bedrijf01]
</emphasis>
,
</para>
      <para>
woonplaats: [woonplaats01] ,
</para>
      <para>
gedaagde,
</para>
      <para>
die zelf procedeert.
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
Partijen worden hierna “H&amp;C” en “ [gedaagde01] ” genoemd.
</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
<nr>
1.
</nr>
De procedure
</title>
    <paragroup>
      <nr>
1.1.
</nr>
      <para>
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>
de dagvaarding van 14 december 2022, met bijlagen;
</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
het antwoord;
</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
de brief van de rechtbank van 18 januari 2023 waarin een mondelinge behandeling is bepaald.
</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
1.2.
</nr>
      <para>
Op 24 maart 2023 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij waren aanwezig: [naam01] namens H&amp;C, bijgestaan door [naam02] . [gedaagde01] is niet verschenen, ondanks dat hij wel voor de mondelinge behandeling is uitgenodigd.
</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
<nr>
2.
</nr>
De zaak
</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>
2.1.
</nr>
      <para>
H&amp;C en [gedaagde01] hebben afgesproken dat [gedaagde01] tegels zou leggen in de tuin van H&amp;C. H&amp;C heeft hiervoor een bedrag van € 2.057,- aanbetaald, maar [gedaagde01] is het werk niet komen uitvoeren. Daarom eist H&amp;C haar aanbetaling terug, te vermeerderen met kosten en rente. [gedaagde01] erkent dat hij door persoonlijke omstandigheden het werk niet heeft uitgevoerd en voert aan dat H&amp;C hem 20% is verschuldigd voor het afbestellen van de tegels. De kantonrechter komt tot het oordeel dat [gedaagde01] de volledige aanbetaling aan H&amp;C moet terugbetalen. Dat wordt hierna uitgelegd.
</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
<nr>
3.
</nr>
De beoordeling
</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>
3.1.
</nr>
      <para>
De overeenkomst tussen H&amp;C en [gedaagde01] is een gemengde koop- en aanneemovereenkomst. Een opdrachtgever (H&amp;C in dit geval) mag een dergelijke overeenkomst op elk moment opzeggen
<footnote-ref linkend="_db35f7fa-1f67-4ca7-b4fd-41cd697c31c9" />
. In haar WhatsAppbericht van eind augustus 2022
<footnote-ref linkend="_5d2d3d2b-7cb5-4685-ac74-05911a089d96" />
schrijft [naam01] van H&amp;C aan [gedaagde01] het volgende:
</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
“
<emphasis role="italic">
Ik vindt dit echt geen manier hoe je klanten behandeld
</emphasis>
</para>
        <para>
<emphasis role="italic">
Op zn minst moet je mij inlichten en kunne we overleggen
</emphasis>
</para>
        <para>
<emphasis role="italic">
Op de laatste dag niet reageren,kan toch niet
</emphasis>
</para>
        <para>
<emphasis role="italic">
Stort mijn vooeschot vandaag terug aub
</emphasis>
”
</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
Hieruit leidt de kantonrechter af dat H&amp;C de overeenkomst op dat moment per direct opzegde. [gedaagde01] reageert op 30 augustus 2022 als volgt: “
<emphasis role="italic">
Komt goed maandag staat het erop
</emphasis>
”. [gedaagde01] accepteert de opzegging dus.
</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
3.2.
</nr>
      <para>
Als de opdrachtgever de overeenkomst opzegt voordat het werk is voltooid, moet hij de voor het hele werk geldende prijs betalen, verminderd met de besparingen van de aannemer
<footnote-ref linkend="_7e8c5c3e-db1e-4dbb-a159-e6d3c7ac89f9" />
, [gedaagde01] . [gedaagde01] was nog niet begonnen met het werk en heeft niet onderbouwd dat hij al kosten voor het werk heeft gemaakt. Daarom moet hij de volledige aanbetaling van € 2.057,- aan H&amp;C terugbetalen.
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
3.3.
</nr>
      <para>
H&amp;C eist ook € 39,50 aan administratiekosten, € 54,85 aan rente tot 7 december 2022 en € 310,61 aan buitengerechtelijke incassokosten. Voor toewijzing van buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente is vereist dat [gedaagde01] in verzuim is geraakt met de terugbetaling van de aanbetaling. Dat is zo, gelet op het volgende. [gedaagde01] zegt in zijn WhatsAppbericht van dinsdag 30 augustus 2022 toe dat het geld maandag op de rekening van H&amp;C staat. Als H&amp;C op maandag 5 september 2022 een WhatsAppbericht stuurt dat zij nog niets heeft ontvangen, reageert [gedaagde01] opeens dat H&amp;C 20% moet betalen en dat hij dat wil verrekenen. H&amp;C gaat hier niet mee akkoord en wil bewijs van [gedaagde01] dat hij inderdaad tegels heeft besteld. [gedaagde01] stuurt geen bewijsstuk toe en antwoordt slechts “
<emphasis role="italic">
Ik ben oplichter
</emphasis>
”. Hij betaalt ook niets terug aan H&amp;C. Uit deze houding en uit de mededeling van [gedaagde01] dat H&amp;C 20% van de aanneemsom aan hem is verschuldigd, kon H&amp;C afleiden dat [gedaagde01] het bedrag van € 2.057,- niet (volledig) zou terugbetalen. Daarmee is [gedaagde01] in verzuim geraakt
<footnote-ref linkend="_6e861fe9-b220-4b8b-ae60-4de9ace4acb9" />
.
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
3.4.
</nr>
      <parablock>
        <para>
H&amp;C heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. De buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen tot een bedrag van
</para>
        <para>
€ 308,55 conform het wettelijke tarief. De rente wordt toegewezen, met dien verstande dat de rente vanaf 7 december 2022 wordt toegewezen over de hoofdsom. De geëiste administratiekosten worden afgewezen omdat deze kosten geacht worden in de buitengerechtelijke kosten te zijn begrepen.
</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
<emphasis role="italic">
De proceskosten
</emphasis>
</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
3.5.
</nr>
      <para>
[gedaagde01] krijgt voor het grootste deel ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen (artikel 237 Rv). De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van H&amp;C tot vandaag vast op € 108,41 aan dagvaardingskosten, € 365,- aan griffierecht en € 398,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 199,-). Dit is totaal € 871,41. Voor kosten die H&amp;C maakt na deze uitspraak moet [gedaagde01] een bedrag betalen van € 99,50 (1/2 punt x
<?linebreak?>
€ 199,-). Hier kan nog een bedrag bijkomen als de uitspraak wordt betekend. In dit vonnis hoeft hierover niet apart te worden beslist (ECLI:NL:HR:2022:853). De wettelijke rente wordt toegewezen zoals geëist.
</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
<emphasis role="italic">
Uitvoerbaarheid bij voorraad
</emphasis>
</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
3.6.
</nr>
      <para>
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv).
</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
<nr>
4.
</nr>
De beslissing
</title>
    <para>
De kantonrechter:
</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>
4.1.
</nr>
      <para>
veroordeelt [gedaagde01] om aan H&amp;C te betalen € 2.420,40 met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 2.057,- vanaf 7 december 2022 tot de dag van volledige betaling;
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
4.2.
</nr>
      <para>
veroordeelt [gedaagde01] in de proceskosten, die aan de kant van H&amp;C tot vandaag worden vastgesteld op € 871,41 met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf dertig dagen na vandaag tot de dag van volledige betaling;
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
4.3.
</nr>
      <para>
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
4.4.
</nr>
      <para>
wijst al het andere af.
</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Joele en in het openbaar uitgesproken.
</para>
        <para>
424
</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_db35f7fa-1f67-4ca7-b4fd-41cd697c31c9" label="1">
    <para>
Artikel 7:764 lid 1 BW
</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5d2d3d2b-7cb5-4685-ac74-05911a089d96" label="2">
    <para>
Bijlage 2 bij de dagvaarding
</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7e8c5c3e-db1e-4dbb-a159-e6d3c7ac89f9" label="3">
    <para>
Artikel 7:764 lid 2 BW
</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6e861fe9-b220-4b8b-ae60-4de9ace4acb9" label="4">
    <para>
Artikel 6:83, aanhef en onder b BW
</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>