<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2023:3592</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-05-03T12:17:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-04-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-05-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ROT 22/2342 V</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2023:3592">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2023:3592</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-05-03T12:16:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-05-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2023:3592 Rechtbank Rotterdam , 01-05-2023 / ROT 22/2342 V</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2023:3592:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>In verzet is geen twijfel ontstaan over de buiten-zittingsuitspraak. De door opposant aangehaalde uitspraken verschillen dermate van de onderhavige zaak waardoor er geen reden is om geopposeerde een hogere dwangsom te laten verbeuren.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2023:3592:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: ROT 22/2342 V</para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2023 op het verzet van</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [opposant], te [plaatsnaam], opposant.</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Opposant heeft op 16 mei 2022 beroep ingesteld omdat niet tijdig zou zijn beslist op zijn Wob<footnote-ref linkend="_d08fa07b-41b9-4374-bd8c-9b16dd451a0d" /> (nu: Woo)<footnote-ref linkend="_ad9e6560-89d5-4b99-89c9-d76313907a5c" />-verzoek van 27 maart 2022 door de minister van Financiën (de Minister). Bij uitspraak van 29 juni 2022 heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld en verzocht om te worden gehoord.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het verzet op 6 april 2023 op zitting behandeld. Opposant is verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De uitspraak van 29 juni 2022</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Awb<footnote-ref linkend="_019c8c93-fb86-4e30-84ed-7c6ca7299a48" /> biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat de Minister heeft erkend niet tijdig te hebben beslist op het Woo-verzoek van opposant en heeft de Minister opgedragen om uiterlijk 8 juli 2022 alsnog te beslissen op het Woo-verzoek, op straffe van een dwangsom in het geval deze termijn wordt overschreden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het verzet van opposant</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	In verzet voert opposant aan dat hij zich ongelijk voelt behandeld, nu in – naar opposant meent – vergelijkbare zaken een verhoogde dwangsom (€ 250,- per dag) is opgelegd.<footnote-ref linkend="_ebeb0d5b-ec00-4b1d-a251-9e31dace9aba" /> Daarbij voert opposant aan dat deze rechtbank zich schuldig heeft gemaakt aan ongelijke behandeling.<footnote-ref linkend="_599a1231-ff96-4b6a-b9a2-827b57e906db" /> Er dient een hogere dwangsom te worden opgelegd aan de Minister, nu opposant het vermoeden heeft dat de Minister de gevraagde documenten niet openbaar wil maken. Ter onderbouwing van het standpunt dat een extra dwangsom moet worden opgelegd, verwijst opposant naar beleid.<footnote-ref linkend="_edf9bb34-b3b9-4edd-8bcb-21917f942574" /> De reden voor het Woo-verzoek van opposant is dat bij de Minister sprake was van een verboden onderscheid in de werving en selectie. Nu de stukken niet zijn verstrekt, kan opposant zijn standpunt in een andere schadevergoedingszaak niet onderbouwen. Opposant betoogt dat sprake is van een zeer groot belang, namelijk de openbaring van documenten over structurele discriminatie die heeft plaatsgevonden bij de Minister. Omdat de Minister volgens opposant de maximale dwangsom wil verbeuren om zo de documenten niet openbaar te maken, verzoekt opposant een hogere dwangsom vast te stellen, zodat de Minister (en andere ministeries) het voortaan nalaten om zich te committeren tot verboden onderscheid. Opposant betoogt verder dat de Minister onrechtmatig gegevens verwerkt (waaronder het telefoonnummer van opposant) en dat daarmee sprake is van strijd met de AVG.<footnote-ref linkend="_5da0b1a2-c49b-480b-bb8d-bf8ab59adcf5" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de verzetrechter</title>
    <para />
    <para>3. In deze procedure moet de verzetrechter de vraag beantwoorden of het beroep van opposant bij de uitspraak van 29 juni 2022 terecht zonder zitting is afgedaan, omdat het beroep kennelijk gegrond is. Dit betekent dat de beoordeling van de verzetrechter beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder opposant op zitting te horen. Als in verzet argumenten naar voren worden gebracht, die ook nog hadden kunnen worden aangevoerd als wel een zitting zou zijn gehouden, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de buiten-zittinguitspraak. Als dat het geval is, dan is het verzet gegrond en komt de buiten-zittinguitspraak te vervallen. Het onderzoek wordt dan voortgezet in de stand waarin het zich bevond.</para>
    <para />
    <para>4. Opposant is het niet eens met de in de buiten-zittinguitspraak aan de Minister opgelegde dwangsom in het geval van niet-tijdig beslissen. Wat opposant in verzet heeft aangevoerd, leidt niet tot twijfel over de buiten-zittinguitspraak. De door opposant aangehaalde uitspraken, waarin een hogere dwangsom per dag is opgelegd, verschillen dermate van deze zaak dat niet kan worden gezegd dat ook in deze zaak een hogere dwangsom per dag zou moeten worden opgelegd. Wat opposant verder in verzet heeft aangevoerd leidt evenmin tot twijfel.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>5. Door wat opposant heeft aangevoerd is geen twijfel ontstaan over de uitspraak van 29 juni 2022. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.</para>
    <para />
    <para>6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Flikweert, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</title>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_d08fa07b-41b9-4374-bd8c-9b16dd451a0d" label="1">
    <para> Wet openbaarheid van bestuur</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ad9e6560-89d5-4b99-89c9-d76313907a5c" label="2">
    <para> Wet open overheid</para>
  </footnote>
  <footnote id="_019c8c93-fb86-4e30-84ed-7c6ca7299a48" label="3">
    <para> Algemene wet bestuursrecht</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ebeb0d5b-ec00-4b1d-a251-9e31dace9aba" label="4">
    <para> Opposant verwijst hierbij naar ECLI:NL:RBZWB:2021:6307, ECLI:NL:RBZWB:2022:290, ECLI:NL:RBAMS:2019:5837, ECLI:NL:RBROT:2022:1821 en ECLI:NL:RBAMS:2019:5481.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_599a1231-ff96-4b6a-b9a2-827b57e906db" label="5">
    <para> Onder verwijzing naar een oordeel van het College voor de rechten van de Mens, <emphasis role="underline">https://oordelen.mensenrechten.nl/oordeel/2016-45</emphasis></para>
  </footnote>
  <footnote id="_edf9bb34-b3b9-4edd-8bcb-21917f942574" label="6">
    <para>
      <emphasis role="underline">https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/paginas/extra-dwangsom.aspx</emphasis>
    </para>
  </footnote>
  <footnote id="_5da0b1a2-c49b-480b-bb8d-bf8ab59adcf5" label="7">
    <para> Algemene verordening gegevensbescherming</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>