<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2023:2274</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-03-20T15:22:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-03-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-03-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10109629 / CV EXPL 22-29175</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2023:2274">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2023:2274</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-03-20T15:21:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-03-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2023:2274 Rechtbank Rotterdam , 03-03-2023 / 10109629 / CV EXPL 22-29175</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2023:2274:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Gedaagde erkent dat eiser in totaal 68 uren voor hem heeft gewerkt. Eiser heeft nagelaten om nader - met stukken - te onderbouwen dat hij meer uren werkzaamheden voor gedaagde heeft verricht. Gedeeltelijke toewijzing.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2023:2274:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">
RECHTBANK ROTTERDAM
</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
locatie Rotterdam
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
zaaknummer: 10109629 / CV EXPL 22-29175
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
datum uitspraak: 3 maart 2023
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
<emphasis role="bold">
Vonnis van de kantonrechter
</emphasis>
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
in de zaak van
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
<emphasis role="bold">
[eiser01]
</emphasis>
, die handelt onder de naam
<emphasis role="bold">
[handelsnaam01]
</emphasis>
,
</para>
      <para>
wonende in [woonplaats01] ,
</para>
      <para>
eiser,
</para>
      <para>
gemachtigde: Juristu Incassodiensten BV te Schiphol,
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
tegen
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
<emphasis role="bold">
[gedaagde01] ,
</emphasis>
die handelt onder de naam
<emphasis role="bold">
LM Fiber Services
</emphasis>
,
</para>
      <para>
wonende in [woonplaats02] ,
</para>
      <para>
gedaagde,
</para>
      <para>
die zelf procedeert.
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
De partijen worden hierna ‘ [eiser01] ’ en ‘ [gedaagde01] ’ genoemd.
</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
<nr>
1.
</nr>
De procedure
</title>
    <paragroup>
      <nr>
1.1.
</nr>
      <para>
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>
de dagvaarding van 2 september 2022, met bijlagen;
</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
het antwoord, met bijlagen.
</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
1.2.
</nr>
      <para>
[eiser01] heeft op de rolzitting van 7 december 2022 verzocht om uitstel voor geven van een reactie op het antwoord van [gedaagde01] . Dat uitstel is verleend tot de rolzitting van 5 januari 2023. Omdat op 5 januari 2023 geen reactie van [eiser01] was ontvangen, is bij brief van diezelfde datum aan partijen medegedeeld dat de uitspraak van het vonnis op 3 februari 2023 is bepaald en dat verdere stukken van partijen niet meer in behandeling worden genomen. Op 9 januari 2023 is alsnog een reactie van [eiser01] op het antwoord van [gedaagde01] ontvangen, maar die reactie is niet in behandeling genomen omdat [eiser01] zijn reactie te laat heeft ingediend.
</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
<nr>
2.
</nr>
De beoordeling
</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
<emphasis role="italic">
Wat wil [eiser01] in deze zaak?
</emphasis>
</para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>
2.1.
</nr>
      <para>
[eiser01] stelt zich op het standpunt dat hij in week 45 en 46 van 2021 gedurende in totaal 80 uren voor [gedaagde01] werkzaamheden als kraanmachinist heeft uitgevoerd, tegen een uurloon van € 30,00. [eiser01] heeft [gedaagde01] daarvoor twee facturen van in totaal € 2.400,00 gestuurd, maar [gedaagde01] heeft die facturen niet betaald. Daarom eist [eiser01] in deze zaak dat [gedaagde01] wordt veroordeeld om € 2.400,00 aan hem te betalen. [eiser01] maakt daarnaast aanspraak op de wettelijke rente en een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Tot slot wil [eiser01] dat [gedaagde01] de proceskosten en de nakosten aan hem betaalt.
</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
<emphasis role="italic">
Wat is het verweer van [gedaagde01] ?
</emphasis>
</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
2.2.
</nr>
      <para>
[gedaagde01] is het gedeeltelijk niet eens met de eis van [eiser01] . [gedaagde01] erkent dat [eiser01] in week 45 en 46 werkzaamheden heeft verricht en dat [eiser01] een uurloon van € 30,00 zou ontvangen, maar volgens [gedaagde01] heeft [eiser01] in totaal gedurende slechts 68 uren werkzaam-heden verricht en maakt hij daarom ten onrechte aanspraak op een vergoeding voor 80 uren.
</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
<emphasis role="italic">
Het oordeel van de kantonrechter: de eis van [eiser01] is gedeeltelijk toewijsbaar.
</emphasis>
</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
2.3.
</nr>
      <para>
[gedaagde01] erkent dat [eiser01] recht heeft op 68 gewerkte uren tegen een uurloon van € 30,00. Dit staat gelijk aan een bedrag van € 2.040,00. Dit bedrag is toewijsbaar. Voor zover de eis van [eiser01] dit bedrag te boven gaat, wordt die eis afgewezen. [gedaagde01] heeft namelijk gemotiveerd betwist dat [eiser01] gedurende meer dan 68 uren werkzaamheden heeft verricht en daarom had het op de weg van [eiser01] gelegen om nader - met stukken - te onder-bouwen dat hij in totaal 80 uren werkzaamheden heeft verricht. Dat heeft [eiser01] echter niet gedaan. Bij gebreke van een concreet en specifiek bewijsaanbod wordt aan bewijslevering op dit punt niet toegekomen.
</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
<emphasis role="italic">
De wettelijke rente is toewijsbaar.
</emphasis>
</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
2.4.
</nr>
      <para>
[eiser01] eist primair dat de wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 19 januari 2021. Aangezien de facturen die [eiser01] aan [gedaagde01] heeft gestuurd van 14 en 19 november 2021 dateren, is de wettelijke rente echter niet al vanaf 19 januari 2021 toewijsbaar. De wettelijke rente wordt daarom, zoals [eiser01] subsidiair heeft geëist, toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding. [eiser01] heeft genoeg gesteld waaruit volgt dat de wettelijke rente moet worden betaald en [gedaagde01] heeft dat niet betwist.
</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
<emphasis role="italic">
De vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is toewijsbaar.
</emphasis>
</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
2.5.
</nr>
      <para>
De vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt op basis van de toewijsbare hoofdsom toegewezen tot een bedrag van € 306,00. [eiser01] heeft aan alle voorwaarden voldaan om deze vergoeding te krijgen (artikel 6:96 BW).
</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
<emphasis role="italic">
[gedaagde01] moet de proceskosten van [eiser01] betalen.
</emphasis>
</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
2.6.
</nr>
      <para>
[gedaagde01] krijgt voor het grootste deel ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen (artikel 237 Rv). De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van [eiser01] tot vandaag vast op € 107,22 aan dagvaardingskosten, € 244,00 aan griffierecht en € 199,00 aan salaris voor de gemachtigde (één punt). Dit is in totaal € 550,22. Voor kosten die [eiser01] maakt na deze uitspraak moet [gedaagde01] een bedrag betalen van € 99,50. Hier kan nog een bedrag bijkomen als de uitspraak wordt betekend. In dit vonnis hoeft hierover niet apart te worden beslist (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 10 juni 2022, gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2022:853).
</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
<emphasis role="italic">
Uitvoerbaarheid bij voorraad
</emphasis>
</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
2.7.
</nr>
      <para>
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv).
</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
<nr>
3.
</nr>
De beslissing
</title>
    <para>
De kantonrechter:
</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>
3.1.
</nr>
      <para>
veroordeelt [gedaagde01] om aan [eiser01] te betalen € 2.346,00 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 2.040,00 vanaf 2 september 2022 tot de dag van volledige betaling;
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
3.2.
</nr>
      <para>
veroordeelt [gedaagde01] in de proceskosten die aan de kant van [eiser01] tot vandaag worden vastgesteld op € 550,22;
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
3.3.
</nr>
      <para>
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
3.4.
</nr>
      <para>
wijst al het andere af.
</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
Dit vonnis is gewezen door mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.
</para>
        <para>
38671
</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>