<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2023:1590</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-03-02T14:00:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-02-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-03-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ROT 21/5866</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#vereenvoudigdeBehandeling">Vereenvoudigde behandeling</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2023:1590">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2023:1590</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-02-27T12:19:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-03-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2023:1590 Rechtbank Rotterdam , 01-03-2023 / ROT 21/5866</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2023:1590:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Veelprocedeerder. Vereenvoudigde afdoening. Hoewel het CAK zich daarbij op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen bezwaar kan maken tegen een eindafrekening en evenmin tegen de verschuldigdheid van de bestuursrechtelijke premie, is het CAK toch inhoudelijk ingegaan op de aangevoerde bezwaargronden en heeft hij het bezwaar ongegrond verklaard. Dit is onjuist. Het CAK had het bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren. Daarom is het beroep kennelijk gegrond. De rechtbank zal alsnog het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Uit artikel 8:91 lid 1 Awb volgt dat een verzoek om schadevergoeding kan worden ingediend bij de bestuursrechter waarbij het beroep omtrent het schadeveroorzakende besluit aanhangig is. De schade die eiser vordert hangt echter niet samen met het onjuiste dictum van het bestreden besluit, maar met de volgens hem ten onrechte opgelegde bestuursrechtelijke premie. Omdat tegen een besluit over de verschuldigdheid van bestuursrechtelijke premie of de hoogte daarvan geen beroep kan worden ingesteld, is het gelet op artikel 8:88 lid 2 Awb evenmin mogelijk om in dit verband schadevergoeding te verzoeken bij de bestuursrechter. Daarom zal de bestuursrechter zich onbevoegd verklaren om kennis te nemen van dit verzoek.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2023:1590:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold caps">Rechtbank Rotterdam</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: ROT 21/5866</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 maart 2023 als bedoeld in artikel 8:54 en 8:91 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de zaak tussen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      [Naam], te [Plaats], eiser,</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>CAK, verweerder.</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <para>1. Het CAK heeft eiser op 29 maart 2021 een eindafrekening gestuurd inzake een nog niet betaalde bestuursrechtelijke premie.</para>
    <para />
    <para>2. Bij besluit van 27 oktober 2021 (het bestreden besluit) heeft het CAK het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>3. Hangende het beroep van eiser tegen het bestreden besluit heeft het CAK eiser op 23 december 2021 bericht dat ten onrechte een bestuursrechtelijke premie is ingehouden en dat wat eiser onverschuldigd heeft betaald zal worden teruggestort.</para>
    <para />
    <para>4. Eiser heeft de rechtbank verzocht hem een schadevergoeding toe te kennen wegens onrechtmatig handelen van het CAK.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling</title>
    <para />
    <para>5. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Awb uitspraak zonder zitting.</para>
    <para />
    <para>6. Uit artikel 8:5, eerste lid, van de Awb en artikel 1 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak volgt dat tegen een besluit over de verschuldigdheid van een bestuursrechtelijke premie of de hoogte daarvan geen beroep kan worden ingesteld. Gelet op artikel 7:1, eerste lid, van de Awb, kan tegen een dergelijk besluit dan ook geen bezwaar worden gemaakt. Dit betekent dat de bestuursrechter de zaak niet inhoudelijk beoordeelt. Daartoe is alleen de burgerlijke rechter bevoegd (zie ECLI:NL:CRVB:2018:565 en ECLI:NL:CRVB:2022:2315). </para>
    <para />
    <para>7. Wel is de bestuursrechter bevoegd om kennis te nemen van het bestreden besluit, omdat de beslissing op bezwaar van het CAK op rechtsgevolg is gericht (vgl. ECLI:NL:RVS:2019:1823). Hoewel het CAK zich daarbij op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen bezwaar kan maken tegen een eindafrekening en evenmin tegen de verschuldigdheid van de bestuursrechtelijke premie, is het CAK toch inhoudelijk ingegaan op de aangevoerde bezwaargronden en heeft hij het bezwaar ongegrond verklaard. Dit is onjuist. Het CAK had het bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren. Daarom is het beroep kennelijk gegrond. De rechtbank zal alsnog het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. </para>
    <para />
    <para>8. Uit artikel 8:91, eerste lid, van de Awb volgt dat een verzoek om schadevergoeding kan worden ingediend bij de bestuursrechter waarbij het beroep omtrent het schadeveroorzakende besluit aanhangig is. De schade die eiser vordert hangt echter niet samen met het onjuiste dictum van het bestreden besluit, maar met de volgens hem ten onrechte opgelegde bestuursrechtelijke premie. Omdat tegen een besluit over de verschuldigdheid van bestuursrechtelijke premie of de hoogte daarvan geen beroep kan worden ingesteld, is het gelet op artikel 8:88, tweede lid, van de Awb evenmin mogelijk om in dit verband schadevergoeding te verzoeken bij de bestuursrechter. Daarom zal de bestuursrechter zich onbevoegd verklaren om kennis te nemen van dit verzoek (vgl. ECLI:NL:RBROT:2021:9022). </para>
    <para />
    <para>9. Omdat het beroep gegrond is, zal de rechtbank bepalen dat het CAK het door eiser betaalde griffierecht aan eiser dient te vergoeden.</para>
    <para />
    <para>11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt het bestreden besluit en verklaart het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het bestreden besluit;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>verklaart dat de bestuursrechter onbevoegd is kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat het CAK het verschuldigde griffierecht van € 49,- aan eiser vergoedt.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. E.B.J. van Elden, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 1 maart 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De griffier en de rechter zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier	rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>