<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2023:1053</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-02-15T15:41:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-02-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-02-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10-007082-23</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beslissingRC">Beslissing RC</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2023:1053">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2023:1053</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-02-15T15:40:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-02-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2023:1053 Rechtbank Rotterdam , 14-02-2023 / 10-007082-23</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2023:1053:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Art. 138aa Sr. </para>
        <para>appel OvJ tegen afwijzing vorderring bewaring gegrond. Geen sprake van first offender, </para>
        <para>gelet op feiten en omstandigheden zoals verwoord in beslissing RK.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2023:1053:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
RECHTBANK ROTTERDAM
-1-</title>
    <para>
Strafrecht
</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
Zittingsplaats Rotterdam
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
parketnummer : 10-007082-23
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
<emphasis role="bold">
beslissing op hoger beroep tegen beschikking van de rechter-commissaris van de raadkamer d.d. 14 februari 2023
</emphasis>
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
in de strafzaak tegen de verdachte:
</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
[verdachte01] ,
</title>
    <parablock>
      <para>
geboren op [geboortedatum01] 2000 te [geboorteplaats01] ,
</para>
      <para>
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
</para>
      <para>
[adres01] , [postcode01] [plaats01] .
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
Raadsman mr. L.A.R. Newoor.
</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
Procedure
</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
De rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken, heeft de vordering inbewaringstelling bij bevel van 9 januari 2023 afgewezen. De officier van justitie is op 16 januari 2023 in hoger beroep gekomen tegen deze beschikking.
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
De rechtbank heeft de stukken gezien, waaronder de beschikking van de rechter-commissaris en de appelmemorie van de officier van justitie.
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
De rechtbank heeft in raadkamer van heden de officier van justitie, de verdachte en de raadsman, mr. Newoor gehoord.
</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
Beoordeling
</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 13 januari 2023 de vordering van de
</para>
      <para>
officier van justitie tot inbewaringstelling van de verdachte afgewezen. De officier van
</para>
      <para>
justitie is op 16 januari 2023 in hoger beroep gekomen tegen deze beschikking, voor zover
</para>
      <para>
daarbij de vordering is afgewezen.
</para>
      <para>
De rechtbank heeft de stukken gezien, waaronder de beschikking van de rechter­
</para>
      <para>
commissaris en de appelmemorie van de officier van justitie.
</para>
      <para>
De rechtbank heeft in raadkamer van heden de verdachte, de officier van justitie en de raadsman.
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
Beoordeling
</para>
      <para>
Gevallen waarin de voorlopige hechtenis kan worden bevolen
</para>
      <para>
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de verdachte de verdenking is gerezen dat
</para>
      <para>
verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feiten waarvoor de voorlopige hechtenis is
</para>
      <para>
toegelaten, te weten feiten als omschreven in navolgende wetsartikelen:
</para>
      <para>
art. 138aa lid I. 138aa lid 3 ahf/ond b, art. 47 lid 1 ahf/sub 1 Sr.
</para>
      <para>
De ernstige bezwaren
</para>
      <para>
Uit de inhoud van het strafdossier blijkt van ernstige bezwaren tegen de verdachte ten
</para>
      <para>
aanzien van het feit zoals vermeld in de vordering tot inbewaringstelling.
</para>
      <para>
Motivering:
</para>
      <para>
De strafbaarstelling van art. 138aa Sr. is door de wetgever ingevoerd in het kader van het
</para>
      <para>
streven van de overheid om -in bredere zin- de strafrechtelijke aanpak van ondermijnende
</para>
      <para>
criminaliteit (duidelijk) te versterken. De problematiek rond de uithalers is in dit breder
</para>
      <para>
kader meegenomen en is vertaald in een duidelijk verscherpte strafrechtelijke aanpak van
</para>
      <para>
het illegaal betreden van o.a. haventerreinen. Vertrekpunt was de strafbaarstelling van dit
</para>
      <para>
gedrag als een verzwaarde vorm van erfvredebreuk op bepaalde plaatsen; plaatsen waar dat
</para>
      <para>
door de wetgever als extra ongewenst en gevaarzettend is geoordeeld.
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
Het strafmaximum is flink omhoog gegaan ten opzicht van, bij voorbeeld, de overtreding
</para>
      <para>
van art. 461 Sr., het zich begeven op verboden terrein. In plaats van een geldboete, die in de
</para>
      <para>
praktijk veelal neerkwam op een geldboete van € 95,- is de maximale straf van het misdrijf
</para>
      <para>
art. I38aa Sr. maximaal één jaar gevangenisstraf voor het enkele aanwezig zijn op een van
</para>
      <para>
de in de wet omschreven (bedrijfsterreinen/vervoersknooppunten. De maximale
</para>
      <para>
gevangenisstraf bedraagt twee jaar gevangenisstraf indien bepaalde strafverzwarende
</para>
      <para>
omstandigheden aanwezig zijn. De wet kent een verdere strafverzwaring met een derde
</para>
      <para>
onder in de wet nader aangegeven verdere omstandigheden. Bij dit alles heeft de wetgever
</para>
      <para>
de nieuwe strafbepaling opgenomen in art. 67 Sv., zodat voorlopige hechtenis toegepast kan
</para>
      <para>
worden. Ook dit beschouwt de rechtbank als een aanwijzing dat de wetgever een duidelijk
</para>
      <para>
verscherpte wijze van afdoening van deze vorm van criminaliteit voorstaat.
</para>
      <para>
Dit kader maakt dat verdachten tegen wie ernstige bezwaren bestaan ter zake art. 138aa Sr
</para>
      <para>
anders en (veel) strenger kunnen worden aangepakt dan voorafgaand aan de invoering van
</para>
      <para>
deze nieuwe wetsbepaling.
</para>
      <para>
Het gerechtshof heeft in een aantal samenhangende arresten aangegeven dat bij first
</para>
      <para>
offenders, in beginsel een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf uitgangspunten
</para>
      <para>
van straftoemeting zijn. En dat bij (vormen van) recidive een onvoorwaardelijke
</para>
      <para>
gevangenisstraf het uitgangspunt zal (moeten) zijn. Voorshands is dit voor de Rotterdamse
</para>
      <para>
rechtbank daarmee (ook) het uitgangspunt.
</para>
      <para>
Verdachte is echter geen first offender, aangezien vast staat dat hij eerder onder min of meer identieke omstandigheden is aangetroffen op een haventerrein en heeft daarvoor in 2022 naast een boete van de kantonrechter een toentertijd op deze problematiek toegesneden gedragsbeïnvloedende maatregel opgelegd gekregen die inhoudt dat hij tot en met maart 2024 het haventerrein niet opnieuw mag betreden. Verdachte heeft bovendien Opiumwet-gerelateerde documentatie.
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
Gelet op het bovenstaande is art. 67a lid 3 Sv op dit moment nog niet aan de orde
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
Anders dan de rechter-commissaris, is de rechtbank van oordeel dat de vordering tot
</para>
      <para>
inbewaringstelling van de verdachte moet worden toegewezen. De dragende grond is
</para>
      <para>
recidivegevaar als omschreven in art. 67a lid 2 onder 2 Sv., meer in het bijzonder dat het
</para>
      <para>
gaat om misdrijven waardoor de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar kan
</para>
      <para>
worden gebracht.
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
Het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
De rechtbank heeft de persoonlijke belangen van de verdachte
</para>
      <para>
afgewogen tegen het strafvorderlijk belang dat met voortduring van de voorlopige hechtenis
</para>
      <para>
is gediend. Deze afweging valt op dit moment uit in het nadeel van de verdachte. |Met name blijkt niet dat de feitelijke verzorging niet kan gebeuren door anderen, zoals naasten van verdachte.
</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
Beslissing
</title>
    <para>
De rechtbank:
</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
verklaart het beroep gegrond en vernietigt de beschikking van de rechter-commissaris waarvan beroep;
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
wijst alsnog toe de vordering tot inbewaringstelling van de verdachte;
</para>
      <para>
verleent alsnog een bevel tot bewaring tegen de verdachte voor een termijn van veertien dagen;
</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
Deze beslissing is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 14 februari 2023 door:
</para>
      <para>
mr. W.A.F. Damen, voorzitter,
</para>
      <para>
mr. L.J.M. Janssen en M.M. Dolman, rechters,
</para>
      <para>
in tegenwoordigheid van W.A. Gruisen, griffier.
</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>