<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2022:9959</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-23T10:29:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-09-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10009960 CV EXPL 22-22366</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:9959">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:9959</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-23T10:28:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2022:9959 Rechtbank Rotterdam , 23-09-2022 / 10009960 CV EXPL 22-22366</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2022:9959:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vordering tot betaling van verzekeringspremie beperkt tot € 500,--. Vordering toegewezen. Buitengerechtelijke incassokosten en rente worden als gevolg van beperking niet meer gevorderd.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2022:9959:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">
RECHTBANK ROTTERDAM
</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
locatie Rotterdam
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
zaaknummer: 10009960 CV EXPL 22-22366
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
datum uitspraak: 23 september 2022
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
<emphasis role="bold">
Vonnis van de kantonrechter
</emphasis>
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
in de zaak van
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
<emphasis role="bold">
VGZ Zorgverzekeraar N.V.
</emphasis>
,
</para>
      <para>
vestigingsplaats: Arnhem,
</para>
      <para>
eiseres,
</para>
      <para>
gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarder en Incasso,
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
tegen
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
<emphasis role="bold">
[gedaagde01] ,
</emphasis>
</para>
      <para>
woonplaats: [woonplaats01] ,
</para>
      <para>
gedaagde,
</para>
      <para>
zonder gemachtigde.
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
De partijen worden hierna ‘VGZ’ en ‘ [gedaagde01] ’ genoemd.
</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
<nr>
1.
</nr>
De procedure
</title>
    <paragroup>
      <nr>
1.1.
</nr>
      <para>
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>
de dagvaarding van 10 juni 2022, met bijlagen;
</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
de aantekeningen van het op de rolzitting van 23 juli 2022 door [gedaagde01] gegeven mondelinge antwoord.
</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
<nr>
2.
</nr>
De feiten
</title>
    <paragroup>
      <nr>
2.1.
</nr>
      <para>
Tussen VGZ als zorgverzekeraar en [gedaagde01] als verzekeringnemer is een zorgverzekeringsovereenkomst tot stand gekomen als bedoeld in de Zorgverzekeringswet.
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
2.2
</nr>
      <para>
Uit hoofde van deze overeenkomst is [gedaagde01] gehouden om maandelijks premie en daarnaast een bedrag aan eigen risico te betalen.
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
2.3
</nr>
      <para>
Door en namens VGZ is [gedaagde01] aangemaand om tot betaling van openstaande bedragen over te gaan.
</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
<nr>
3.
</nr>
Het geschil
</title>
    <paragroup>
      <nr>
3.1.
</nr>
      <para>
VGZ eist samengevat:
</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>
[gedaagde01] te veroordelen aan haar te betalen € 500,00 met rente;
</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
[gedaagde01] te veroordelen in de proceskosten;
</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
3.2.
</nr>
      <parablock>
        <para>
VGZ baseert de eis op het volgende.
</para>
        <para>
VGZ legt nakoming van de betalingsverplichting die voortvloeit uit de met [gedaagde01] gesloten zorgverzekeringsovereenkomst aan haar vordering ten grondslag. VGZ heeft de uit hoofde van de verzekering door [gedaagde01] verschuldigde bedragen bij hem in rekening gebracht. Van deze bedragen heeft [gedaagde01] € 634,60 onbetaald gelaten. De betalingsachterstand heeft betrekking op de premies over de maanden juni 2021, augustus 2021, oktober 2021, december 2021 en maart 2022 en een tweetal declaraties van 11 maart 2022 inzake zorgkosten voor eigen rekening. Ondanks dat [gedaagde01] schriftelijk is aangemaand, is geen (volledige) betaling ontvangen. VGZ was hierdoor genoodzaakt haar vordering uit handen te geven. VGZ heeft het volgende te vorderen:
</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
Hoofdsom: € 634,60
</para>
        <para>
Wettelijke rente tot 1 juni 2022: € 7,24
</para>
        <para>
Buitengerechtelijke incassokosten:
<emphasis role="underline">
€ 96,04
</emphasis>
</para>
        <para>
Totaal: € 737,88
</para>
        <para>
Voldaan:
<emphasis role="underline">
€ 105,47 -/-
</emphasis>
</para>
        <para>
Totaal: € 632,41
</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
Om haar moverende redenen beperkt VGZ haar vordering vooralsnog tot een bedrag van
</para>
        <para>
€ 500,-, maar reserveert uitdrukkelijk haar rechten voor het resterende deel. Met deze beperking wordt een hoger bedrag aan griffiegeld voorkomen.
</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
3.3.
</nr>
      <para>
[gedaagde01] erkent de vordering. Hij heeft een onderneming waarmee het de afgelopen jaren niet goed is gegaan. Daardoor kon hij de vordering niet betalen. [gedaagde01] wil graag een betalingsregeling treffen.
</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
<nr>
4.
</nr>
De beoordeling
</title>
    <paragroup>
      <nr>
4.1.
</nr>
      <para>
[gedaagde01] heeft de verschuldigdheid van de gevorderde premiebedragen en de declaraties inzake zorgkosten voor eigen rekening niet betwist. Het gevorderde, in hoogte beperkte bedrag van € 500,-, zal daarom worden toegewezen.
</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
<emphasis role="italic">
buitengerechtelijke incassokosten en rente
</emphasis>
</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
4.2.
</nr>
      <para>
Doordat VGZ haar vordering tot een bedrag van € 500,00 heeft beperkt worden de buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente feitelijk niet meer gevorderd. Deze vorderingen heven daarom niet meer te worden beoordeeld.
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
4.3.
</nr>
      <para>
Op grond van artikel 6:29 BW is de kantonrechter niet bevoegd om zonder instemming van VGZ een betalingsregeling vast te stellen. Voor het treffen van een betalingsregeling moet [gedaagde01] daarom contact opnemen met de gemachtigde van VGZ.
</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
<emphasis role="italic">
proceskosten
</emphasis>
</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
4.4.
</nr>
      <para>
[gedaagde01] krijgt voor het grootste deel ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen. De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van VGZ tot vandaag vast op € 129,74 aan dagvaardingskosten, € 128,00 aan griffierecht en € 75,-- aan salaris voor de gemachtigde (1 punt x € 75,00 tarief). Dit is totaal € 332,74.
</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
Voor kosten die VGZ maakt na deze uitspraak moet [gedaagde01] ook een bedrag betalen van
</para>
        <para>
€ 37,50 (1/2 punt x € 75,-- tarief met een maximum van € 124,-). Hier kan nog een bedrag bijkomen voor de betekening van de uitspraak. In dit vonnis hoeft hierover geen aparte beslissing te worden genomen (ECLI:NL:HR:2022:853).
</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
<emphasis role="italic">
uitvoerbaarheid bij voorraad
</emphasis>
</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
4.5.
</nr>
      <para>
Dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
<nr>
5.
</nr>
De beslissing
</title>
    <para>
De kantonrechter:
</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>
5.1.
</nr>
      <para>
veroordeelt [gedaagde01] om aan VGZ te betalen € 500,00 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling;
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
5.2.
</nr>
      <para>
veroordeelt [gedaagde01] in de proceskosten, aan de kant van VGZ tot vandaag vastgesteld op € 332,74;
</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
verstaat dat de in de verschotten begrepen dagvaardingskosten zijn te verhogen met de btw daarover;
</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
5.3.
</nr>
      <para>
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
Dit vonnis is gewezen door mr. D.L. spierings en in het openbaar uitgesproken.
</para>
        <para>
426
</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>