<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2022:9285</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-05T11:58:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-09-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">9868895</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHSHE:2025:1053" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2025:1053</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:9285">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:9285</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-08T15:05:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2022:9285 Rechtbank Rotterdam , 23-09-2022 / 9868895</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2022:9285:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Onverschuldigde betaling; te veel betaalde (voorschotten) servicekosten moeten worden terugbetaald, Huurcommissie had een lager bedrag vastgesteld</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2022:9285:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">
RECHTBANK ROTTERDAM
</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
locatie Rotterdam
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
zaaknummer: 9868895 \ CV EXPL 22-14323
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
datum uitspraak: 23 september 2022
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
<emphasis role="bold">
Vonnis van de kantonrechter
</emphasis>
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
in de zaak van
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
<emphasis role="bold">
[eiser01]
</emphasis>
,
</para>
      <para>
woonplaats: [woonplaats01] ,
</para>
      <para>
eiser,
</para>
      <para>
gemachtigde: [gemachtigde01] ,
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
tegen
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
<emphasis role="bold">
[gedaagde01]
</emphasis>
,
</para>
      <para>
woonplaats: [woonplaats02] ,
</para>
      <para>
gedaagde,
</para>
      <para>
gemachtigde: [gemachtigde02] .
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
De partijen worden hierna ‘ [eiser01] ’ en ‘ [gedaagde01] ’ genoemd.
</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
<nr>
1
.</nr>
De procedure
</title>
    <paragroup>
      <nr>
1.1.
</nr>
      <para>
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>
de dagvaarding van 6 mei 2022, met bijlagen;
</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
de conclusie van antwoord, met bijlagen;
</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
de brief van 13 juni 2022 waarin een mondelinge behandeling is bepaald.
</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
1.2.
</nr>
      <para>
Op 20 juli 2022 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij was alleen [eiser01] aanwezig. Van hetgeen is besproken heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
<nr>
2
.</nr>
De feiten
</title>
    <paragroup>
      <nr>
2.1.
</nr>
      <para>
[eiser01] heeft gedurende de periode van 2015 tot en met 2020 de woonruimte gelegen aan de [adres01] te Rotterdam gehuurd van [gedaagde01] (hierna: ‘het gehuurde’).
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
2.2.
</nr>
      <para>
Op verzoek van [eiser01] heeft de Huurcommissie in diverse uitspraken de servicekosten over de jaren 2017 tot en met 2020 als volgt vastgesteld:
</para>
      <para />
      <informaltable>
        <tgroup cols="5">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <colspec colname="colC" />
          <colspec colname="colD" />
          <colspec colname="colE" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>
<emphasis role="bold">
Jaar
</emphasis>
</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
2017
</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
2018
</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
2019
</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
2020
</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>
<emphasis role="bold">
Servicekosten
</emphasis>
</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
€ 282,50
</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
€ 300,70
</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
€ 361,50
</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
€ 368,85
</para>
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
2.3.
</nr>
      <para>
In de aan die uitspraken ten grondslag liggende onderzoeksrapporten is opgenomen dat uit de huurovereenkomst blijkt dat verhuurder – te weten [gedaagde01] – een bedrag van € 100,00 per maand aan voorschotten voor de servicekosten in rekening brengt.
</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
<nr>
3
.</nr>
Het geschil
</title>
    <paragroup>
      <nr>
3.1.
</nr>
      <para>
[eiser01] eist samengevat:
</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>
[gedaagde01] te veroordelen aan hem te betalen € 4.265,82, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 3.486,45 vanaf 4 mei 2022;
</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
[gedaagde01] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
3.2.
</nr>
      <para>
[eiser01] baseert de eis op het volgende. Omdat [eiser01] over de jaren 2017 tot en met 2020 in totaal € 4.800,00 aan voorschotten op servicekosten heeft betaald, terwijl hij op basis van de uitspraken van de Huurcommissie slechts (in totaal) € 1.313,55 was verschuldigd, heeft hij een bedrag van € 3.486,45 te veel betaald. Dit bedrag wordt op grond van onverschuldigde betaling aan hoofdsom gevorderd. [eiser01] heeft ter incassering van dit bedrag buitengerechtelijke werkzaamheden laten verrichten waarvan de kosten ten bedrage van € 573,12 voor rekening van [gedaagde01] komen. Wegens vertraging in de betaling van de hoofdsom is [gedaagde01] tevens wettelijke rente over de hoofdsom verschuldigd. Berekend tot 4 mei 2022 bedraagt die rente € 206,25.
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
3.3.
</nr>
      <para>
[gedaagde01] is het niet eens met de eis en voert – samengevat – het volgende aan. De dagvaarding is volgens [gedaagde01] niet vatbaar voor berechting omdat [eiser01] niet heeft bewezen dat hij de uitspraak van de Huurcommissie middels exploot dan wel aangetekend aan [gedaagde01] heeft verstuurd. [gedaagde01] is van mening dat [eiser01] de uitspraken van de Huurcommissie had moeten laten betekenen door een gerechtsdeurwaarder, zodat [gedaagde01] tijdig over de uitspraken kon beschikken en daartegen in beroep kon gaan bij de kantonrechter. Daarnaast gaat [eiser01] er onterecht van uit dat hij aanspraak maakt op een schadevergoeding, nu niet uit de uitspraken van de Huurcommissie blijkt dat [gedaagde01] daartoe is veroordeeld. Ten slotte stelt [gedaagde01] dat hij schade heeft geleden en dat [eiser01] forse vernielingen heeft aangericht en acht hij het wenselijk dat [eiser01] wordt veroordeeld in de reële proceskosten ten bedrage van € 2.385,00.
</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
<nr>
4
.</nr>
De beoordeling
</title>
    <bridgehead role="italic">
Ontvankelijkheid
</bridgehead>
    <paragroup>
      <nr>
4.1.
</nr>
      <para>
Als meest verstrekkend verweer heeft [gedaagde01] aangevoerd dat de dagvaarding niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat – kort gezegd – de uitspraken van de Huurcommissie niet op zijn juiste adres aan hem zijn betekend. De kantonrechter overweegt in dit kader als volgt.
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
4.2.
</nr>
      <para>
In artikel 7:262 BW is bepaald dat een huurder en een verhuurder worden geacht te zijn overeengekomen wat in een uitspraak van de Huurcommissie is vastgesteld, tenzij één van hen binnen acht weken nadat aan hen afschrift van die uitspraak is verzonden, ter zake een beslissing van de kantonrechter heeft gevorderd. Deze regeling en de bijbehorende termijn worden strikt toegepast; ook een aan een onjuist adres gezonden uitspraak wordt na deze termijn bindend (vgl. ECLI:NL:KTGROT:1994:AL2112). De stelling van [gedaagde01] dat de uitspraken van de Huurcommissie aan een verkeerd adres zijn gezonden, wordt reeds om die reden gepasseerd. Dit is immers niet iets wat [eiser01] kan worden aangerekend. Anders dan [gedaagde01] aanvoert is [eiser01] bovendien niet verplicht om de uitspraken van de Huurcommissie middels exploot aan [gedaagde01] te (laten) betekenen. Een wettelijke grondslag voor een dergelijke verplichting ontbreekt. De kantonrechter wijst het beroep van [gedaagde01] op niet-ontvankelijkheid dan ook af.
</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
<emphasis role="italic">
Hoofdsom
</emphasis>
</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
4.3.
</nr>
      <para>
[gedaagde01] heeft de stellingen die [eiser01] aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd niet gemotiveerd betwist. Als onvoldoende gemotiveerd betwist staat dan ook vast dat [eiser01] in de periode van 2017 tot en met 2020 een bedrag van € 3.486,45 te veel aan servicekosten heeft betaald aan [gedaagde01] . Dit bedrag is als onverschuldigd betaald toewijsbaar aan hoofdsom nu [eiser01] in die periode slechts de door de Huurcommissie vastgestelde bedragen verschuldigd was en zodoende zonder rechtsgrond een te hoog bedrag aan voorschotten op de servicekosten heeft betaald.
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
4.4.
</nr>
      <para>
Het standpunt van [gedaagde01] dat [eiser01] er ten onrechte van uit gaat dat hij aanspraak maakt op een schadevergoeding kan de kantonrechter niet volgen, nu uit de dagvaarding blijkt dat [eiser01] onverschuldigde betaling aan zijn vordering ten grondslag legt.
</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
<emphasis role="italic">
Buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente
</emphasis>
</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
4.5.
</nr>
      <para>
[eiser01] maakt tevens aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De onderhavige vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. De vordering is immers gebaseerd op onverschuldigde betaling. De kantonrechter zal de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen voor dergelijke vorderingen zoals deze zijn geformuleerd in het Rapport BGK-integraal. De kantonrechter stelt vast dat [eiser01] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag van € 573,12 zal worden toegewezen
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
4.6.
</nr>
      <para>
De gevorderde wettelijke rente, die berekend tot 4 mei 2022 € 206,25 bedraagt, is als onbetwist en op de wet gegrond toewijsbaar.
</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
<emphasis role="italic">
Proceskosten
</emphasis>
</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
4.7.
</nr>
      <parablock>
        <para>
[gedaagde01] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen. Het standpunt van [gedaagde01] dat [eiser01] zijn reële proceskosten zou dienen te betalen hoeft daarom niet verder te worden besproken.
</para>
        <para>
De kantonrechter stelt de proceskosten aan de kant van [eiser01] tot vandaag vast op € 129,83 aan dagvaardingskosten, € 244,00 aan griffierecht en € 249,00 aan salaris voor de gemachtigde (één punt x € 249,00 tarief). Dit is totaal € 622,83. Voor kosten die [eiser01] maakt na deze uitspraak moet [gedaagde01] ook een bedrag betalen van
<?linebreak?>
€ 124,00 (1/2 punt x € 249,00 tarief met maximum € 124,00). Hier kan nog een bedrag bijkomen voor de betekening van de uitspraak. In dit vonnis hoeft hierover geen aparte beslissing te worden genomen (ECLI:NL:HR:2022:853). De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
<emphasis role="italic">
Uitvoerbaarheid bij voorraad
</emphasis>
</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
4.8.
</nr>
      <para>
Dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
<nr>
5
.</nr>
De beslissing
</title>
    <para>
De kantonrechter:
</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>
5.1.
</nr>
      <para>
veroordeelt [gedaagde01] om aan [eiser01] te betalen € 4.265,82 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 3.486,45 vanaf
<?linebreak?>
4 mei 2022 tot de dag van volledige betaling;
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
5.2.
</nr>
      <para>
veroordeelt [gedaagde01] in de proceskosten, aan de kant van [eiser01] tot vandaag vastgesteld op € 622,83 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na vandaag tot de dag van volledige betaling;
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
5.3.
</nr>
      <para>
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. D.L. Spierings en in het openbaar uitgesproken.
</para>
        <para>
48637
</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>