<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2022:9266</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-09-12T14:29:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-11-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10/996557-16 (ontneming)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:9266">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:9266</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-02T11:23:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2022:9266 Rechtbank Rotterdam , 02-11-2022 / 10/996557-16 (ontneming)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2022:9266:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Mega Carillon. De ontnemingsvordering van € 369.449,- wordt toegewezen en de betalingsverplichting op nihil vastgesteld. De verdachte heeft als privépersoon geen voordeel genoten.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2022:9266:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
<uitspraak.info>
<bridgehead role="bold caps">
Rechtbank Rotterdam
</bridgehead>
<para />
<parablock>
<para>
Team straf 2
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
Parketnummer : 10/996557-16 (
<emphasis role="bold">
ontneming
</emphasis>
)
</para>
<para>
Datum uitspraak : 2 november 2022
</para>
<para>
Tegenspraak
</para>
</parablock>
<para />
<para />
<parablock>
<para>
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) van de officieren van justitie in de zaak tegen de veroordeelde:
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="bold">
[verdachte01] ,
</emphasis>
</para>
<para>
geboren in [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 1967,
</para>
<para>
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
</para>
<para>
[adres01] in [plaats01] ,
</para>
<para>
raadsman mr. J. de Haan, advocaat te Utrecht.
</para>
</parablock>
<para />
<para />
</uitspraak.info>
<section>
<title>
<nr>
1.
</nr>
Onderzoek op de terechtzitting
</title>
<para />
<parablock>
<para>
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26, 27 en 29 september 2022.
</para>
</parablock>
<para />
</section>
<section>
<title>
<nr>
2.
</nr>
Vordering
</title>
<para />
<parablock>
<para>
De vordering van de officieren van justitie mr. H.C. Vermaseren en mr. A. Lodder (hierna: de officier van justitie) - zoals deze na wijziging ter terechtzitting is komen te luiden -, strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en tot oplegging aan de veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter ontneming van dat geschatte voordeel. De officier van justitie heeft het geschatte voordeel vastgesteld op € 367.355,- en daarbij rekening gehouden met het economisch eigenaarschap van de verdachte van A&amp;P Holding B.V. van 50%.
</para>
</parablock>
<para />
</section>
<section>
<title>
<nr>
3.
</nr>
Standpunt verdediging
</title>
<para />
<parablock>
<para>
De verdediging heeft primair aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu de verdediging vrijspraak heeft bepleit. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte geen wederrechtelijk voordeel heeft genoten en integrale afwijzing van de vordering dient te volgen.
</para>
</parablock>
<para />
</section>
<section>
<title>
<nr>
4.
</nr>
Strafbare feiten waarop de voordeelsberekening is gebaseerd
</title>
<para />
<parablock>
<para>
Bij vonnis van deze rechtbank van 2 november 2022 (hierna: het vonnis) is de veroordeelde – voor zover relevant in de onderhavige ontnemingszaak – veroordeeld ter zake van de volgende feiten:
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="italic">
Feiten 2 en 4:
</emphasis>
</para>
<para>
verduistering gepleegd door de beheerder van een stichting, ten opzichte van enig goed dat hij als zodanig onder zich heeft, terwijl het feit in vereniging wordt gepleegd, meermalen gepleegd.
</para>
<para>
In deze procedure wordt derhalve als vaststaand aangenomen dat deze feiten door de veroordeelde zijn begaan. Een kopie van dit vonnis is als bijlage hierbij gevoegd. De inhoud ervan wordt geacht deel uit te maken van dit vonnis.
</para>
</parablock>
<para />
</section>
<section>
<title>
<nr>
5.
</nr>
Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
</title>
<para />
<parablock>
<para>
Gebleken is dat de veroordeelde door middel van en uit de baten van de hiervoor vermelde strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Dit voordeel dient te worden ontnomen. Met betrekking tot de berekening van het geschatte voordeel wordt het volgende overwogen.
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
De officier van justitie heeft de verdachte aangemerkt als 50% economisch eigenaar van A&amp;P Holding B.V. De rechtbank volgt de formele berekening van het openbaar ministerie, met uitzondering van het bedrag van €18.000,- van feit 2, nu de verdachte daarvan is vrijgesproken. Hoewel de officier van justitie de laatste twee bedragen van feit 4 van de tenlastelegging niet expliciet heeft genoemd in zijn schriftelijke opsomming, gaat de rechtbank ervan uit dat wel bedoeld is die bedragen te ontnemen, gelet op de inhoud van het requisitoir.
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
Vaststaat dat er een bedrag van:
</para>
<para>
<emphasis role="bold">
Feit 2
</emphasis>
</para>
<para>
€ 49.000,-
</para>
<para>
<emphasis role="underline">
€ 35.355,- +
</emphasis>
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
<emphasis role="bold">
Feit 4
</emphasis>
</para>
<para>
<emphasis role="italic">
50% van:
</emphasis>
</para>
<para>
€ 274.765,-
</para>
<para>
€ 67.504,-
</para>
<para>
€ 30.000,-
</para>
<para>
€ 10.000,-
</para>
<para>
€ 60.000,-
</para>
<para>
€ 87.920,-
</para>
<para>
€ 10.000,-
</para>
<para>
<emphasis role="underline">
€ 30.000,- +
</emphasis>
</para>
<para>
<emphasis role="bold">
€ 369.449,-
</emphasis>
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
wederrechtelijk voordeel is verkregen uit hoofde van de hiervoor vermelde strafbare feiten, zoals volgt uit de bewijsmiddelen behorende bij de hoofdzaak.
<footnote-ref linkend="_68e592f0-d9d8-4942-b16e-a1e0f0e68035" />
Het verweer dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens de bepleite vrijspraak dan wel dat er geen wederrechtelijk voordeel is genoten, slaagt dan ook niet.
</para>
</parablock>
<para />
<parablock>
<para>
Het voordeel dat de veroordeelde wederrechtelijk heeft verkregen wordt vastgesteld op
<emphasis role="bold">
€369.449,-
</emphasis>
</para>
</parablock>
<para />
</section>
<section>
<title>
<nr>
6.
</nr>
Vaststelling van het te betalen bedrag
</title>
<para />
<parablock>
<para>
De rechtbank ziet aanleiding om de betalingsverplichting lager vast te stellen dan het geschatte voordeel, te weten op nihil. De bedragen zijn binnen het concern verplaatst dan wel aan een ander dan de verdachte toegekomen, waardoor het uiteindelijke voordeel dat is genoten naar het oordeel van de rechtbank niet aan de verdachte als privépersoon is toegekomen.
</para>
</parablock>
<para />
<para />
<para />
</section>
<section>
<title>
<nr>
7.
</nr>
Toepasselijke wettelijke voorschriften
</title>
<para />
<parablock>
<para>
Deze beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
</para>
</parablock>
<para />
</section>
<section role="beslissing">
<title>
<nr>
8.
</nr>
Beslissing
</title>
<para />
<parablock>
<para>
De rechtbank:
</para>
</parablock>
<para />
<para>
- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op
<emphasis role="bold">
€ 369.449,-
</emphasis>
(zegge: driehonderdnegenenzestigduizend en vierhonderdnegenenveertig euro);
</para>
<para />
<para>
- legt aan de veroordeelde de
<emphasis role="bold">
verplichting op tot betaling
</emphasis>
aan de staat van
<emphasis role="bold">
€ 0,- (zegge: nul euro).
</emphasis>
</para>
<para />
<para />
<parablock>
<para>
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Bade, voorzitter, en mrs. M.J.M. van Beckhoven en M.M. Dolman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.M. Sinon, griffier, en uitgesproken op 2 november 2022.
</para>
</parablock>
<para />
</section>
<footnote id="_68e592f0-d9d8-4942-b16e-a1e0f0e68035" label="1">
<para>
De bewijsmiddelen zullen in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.
</para>
</footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>