<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2022:911</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-02-09T15:47:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-02-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-02-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10-013937-22</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#raadkamer">Raadkamer</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:911">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:911</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-02-09T15:46:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-02-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2022:911 Rechtbank Rotterdam , 01-02-2022 / 10-013937-22</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2022:911:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beslissing raadkamer gevangenhouding in havenzaak ; toepassing art. 138aa Sr.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2022:911:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>RECHTBANK ROTTERDAM-6-</title>
    <para>Strafrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Rotterdam</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>parketnummer	: 10-013937-22</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>bevel gevangenhouding van de raadkamer d.d. 01 februari 2022</title>
    <bridgehead role="bold">(artikel 65 en 80 Wetboek van Strafvordering)</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de strafzaak tegen de verdachte: </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [naam verdachte],</title>
    <parablock>
      <para>geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte], </para>
      <para>vertrokken, onbekend waarheen</para>
      <para>feitelijk verblijfsadres:</para>
      <para>
        [verblijfadres verdachte],</para>
      <para>nu gedetineerd in P.I. Dordrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Raadsvrouw mr. D.J. Troost.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Procedure</title>
    <para>De rechter-commissaris heeft op 19 januari 2022 de bewaring bevolen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft de gevangenhouding van de verdachte gevorderd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier en heeft de officier van justitie, de verdachte en de raadsvrouw gehoord.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdediging heeft de opheffing subsidiair schorsing van de voorlopige hechtenis verzocht.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling</title>
    <para>Na onderzoek is gebleken dat de verdenking, de ernstige bezwaren en de grond(en) als bedoeld in artikel 67a van het Wetboek van Strafvordering, die tot het bevel tot bewaring van verdachte hebben geleid, ook op dit moment nog bestaan. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In aanvulling hierop overweegt de rechtbank het volgende. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De nieuwe strafbaarstelling van art. 138aa Sr. is door de wetgever opgevoerd in het kader van het streven van de overheid om -in bredere zin- de strafrechtelijke aanpak van ondermijnende criminaliteit (duidelijk) te versterken. De problematiek rond de uithalers is in dit breder kader meegenomen en vertaald in een duidelijk verscherpte strafrechtelijke aanpak van het illegaal betreden van o.a. haventerreinen. Vertrekpunt was de strafbaarstelling van verzwaarde vorm van erfvredebreuk op bepaalde plaatsen waar dat als extra ongewenst en gevaarzettend is geoordeeld.</para>
      <para>Het strafmaximum gaat flink omhoog ten opzicht van, bij voorbeeld, de overtreding van art. 461 Sr:  het zich begeven op verboden terrein. : In plaats van een geldboete, die in de praktijk veelal neerkwam op een geldboete  van</para>
      <para>€ 95,- is de maximale straf van het nieuwe misdrijf art. 138aa Sr. maximaal één jaar gevangenisstraf voor het enkele aanwezig zijn op een van de in de wet omschreven (bedrijfs)terreinen/vervoersknooppunten. De maximale gevangenisstraf bedraagt </para>
      <para>twee jaar gevangenisstraf indien bepaalde strafverzwarende omstandigheden aanwezig zijn. De wet kent een verdere strafverzwaring met een derde onder nader aangegeven verdere omstandigheden. Bij dit alles heeft de wetgever de nieuwe strafbepaling opgenomen in art. 67 Sv., zodat voorlopige hechtenis toegepast kan worden. </para>
      <para>Daar komt bij dat in de rugzak van de medeverdachte flesjes water zijn gevonden en in die van verdachte gereedschap dat gebruikt kan worden bij het onbevoegd openbreken/openen van containers. Verdachten zijn over het hek van het haventerrein geklommen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit kader maakt dat verdachten tegen wie ernstige bezwaren bestaan ter zake art. 138aa Sr. anders en (veel) strenger kunnen worden aangepakt dan voorafgaand aan de invoering van deze nieuwe wetsbepaling. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het bovenstaande is art. 67a lid 3 Sv. op dit moment nog niet aan de orde. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het bovenstaande zijn de persoonlijke omstandigheden van verdachte  niet zodanig dat deze opwegen tegen de strafvorderlijke belangen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank neemt de artikelen 65, 66, 67, 67a, 78 en 80 van het Wetboek van Strafvordering in aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>De rechtbank:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>beveelt de gevangenhouding van de verdachte voor een termijn van<emphasis role="bold"> 30 (dertig) dagen;</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis af. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 01 februari 2022 door: </para>
      <para>mr. W.A.F. Damen,	voorzitter,</para>
      <para>mr. B.E. Dijkers en mr. S.W.H. Bootsma, 	rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van A. Sieuw-Jhinkoe, 	griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>