<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2022:8577</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-09-12T14:24:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:RBROT:2022:8363</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-09-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ROT AWB 22/2994</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:8577">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:8577</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-17T14:29:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2022:8577 Rechtbank Rotterdam , 28-09-2022 / ROT AWB 22/2994</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2022:8577:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep niet tijdig beslissen niet ontvankelijk, omdat de ingebrekestelling niet op de juiste wijze is ingediend gelet op artikel 2:14, vierde lid, van de Awb</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2022:8577:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank Rotterdam</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: ROT AWB 22/2994</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 september 2022 als bedoeld in </bridgehead>
    <bridgehead role="bold">artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [naam eiseres], eiseres,</bridgehead>
    <para>gemachtigde: mr. J. Nieuwstraten,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Belastingdienst/Toeslagen, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft op 26 juli 2021 bij verweerder een bezwaarschrift ingediend tegen het besluit van 17 juni 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 27 juni 2022 heeft eiseres beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op bezwaar, waarbij eiseres de rechtbank heeft verzocht verweerder op te dragen binnen twee weken na de uitspraak alsnog een beslissing te nemen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op 18 juli 2022 een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat zich in deze zaak een van de gevallen voordoet zoals genoemd in artikel 8:54 van de Awb en een zitting daarom niet nodig is. </para>
    <para />
    <para>2. Bij besluit van 17 juni 2021 heeft verweerder aan eiseres een compensatiebedrag van € 40.767,- toegekend. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. </para>
    <para />
    <para>3. Eiseres betoogt dat de termijn om te beslissen op het bezwaar is overschreden. Zij heeft verweerder bij brief van 2 juni 2022 in gebreke gesteld. Deze ingebrekestelling is zowel per post als via een door de Belastingdienst ter beschikking gestelde digitale link (file transfer) verzonden. </para>
    <para />
    <para>4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep van eiseres niet-ontvankelijk is, omdat verweerder de ingebrekestelling niet heeft ontvangen per post en de communicatiegang van file transfer niet open staat voor ingebrekestellingen. Bovendien heeft verweerder de termijn om te beslissen op het bezwaar niet overschreden, aangezien eiseres een termijn heeft ontvangen om haar gronden van bezwaar aan te vullen en zij dit nog niet heeft gedaan. </para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank oordeelt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">In het beroep ontvankelijk?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank open.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan het beroepschrift worden ingediend zodra:<?linebreak?>a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en<?linebreak?>b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.</para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>5.1.1.</nr>
        <parablock>
          <para>Tussen partijen is in geschil of eiseres verweerder in gebreke heeft gesteld. Nu verweerder stelt dat hij de ingebrekestelling niet per post heeft ontvangen, is het aan eiseres om aannemelijk te maken dat zij de ingebrekestelling per post heeft verzonden aan verweerder. Eiseres is hierin niet geslaagd. Een bewijs dat de ingebrekestelling per post is verzonden is niet overgelegd. </para>
          <para>	Dat verweerder de ingebrekestelling op 2 juni 2022 heeft ontvangen via file transfer wordt niet betwist. In het e-mailbericht van 2 juni 2022 van                                                   no-reply@belastingdienst.nl aan de gemachtigde van eiseres waarin wordt bevestigd dat het bestandspakket “ingebrekestelling [naam eiseres]” wordt geüpload naar [naam] staat het volgende:</para>
          <para>
            <emphasis role="italic">“De Belastingdienst stelt e-mail niet open voor aanvragen, aangiften, bezwaarschriften, verzoeken, klachten, ingebrekestellingen en soortgelijke formele berichten.”</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">[…]</emphasis>
          </para>
          <para>Hieruit volgt dat verweerder gelet op artikel 2:14, vierde lid, van de Awb de weigering van het elektronisch verzenden van de ingebrekestelling zo spoedig mogelijk aan de gemachtigde van eiseres heeft meegedeeld. De ingebrekestelling is dan ook niet op de juiste wijze ingediend.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Het beroep wegens het uitblijven van een beslissing op bezwaar is niet-ontvankelijk.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Dossier</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Over de vordering van eiseres om haar dossier te overleggen, kan de rechtbank zich niet uitlaten, omdat dit een feitelijke handeling is en geen besluit is in de zin van de Awb. Het niet tijdig verstrekken van een volledig dossier is daarmee evenmin als het niet tijdig nemen van een besluit aan te merken. </para>
        <para>De rechtbank is daarom onbevoegd om van het beroepschrift kennis te nemen voor zover dit beroep is gericht op het niet (tijdig) verstrekken van het volledige dossier aan eiseres.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>6.	Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart zich onbevoegd voor zover het beroep is gericht tegen het niet verstrekken door verweerder van het volledige dossier aan eiseres;</para>
    <para>- verklaart het beroep voor het overige niet-ontvankelijk.                                             </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, rechter, in aanwezigheid van</para>
      <para>mr. S.A. Rickets-Achaibersing, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op                       28 september 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier	rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.</para>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>