<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2022:8118</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-21T07:23:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-09-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">9902563 CV EXPL 22-2157</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Dordrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>PR-Updates.nl PR-2022-0184</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:8118">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:8118</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-09-30T15:48:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2022:8118 Rechtbank Rotterdam , 22-09-2022 / 9902563 CV EXPL 22-2157</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2022:8118:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Pensioenrecht. Vordering erkend. Omdat gedaagde pas na de dagvaarding heeft betaald zijn de proceskosten verschuldigd geworden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2022:8118:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">
RECHTBANK ROTTERDAM
</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
locatie Dordrecht
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
zaaknummer: 9902563 CV EXPL 22-2157
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
datum uitspraak: 22 september 2022
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
<emphasis role="bold">
Vonnis van de kantonrechter
</emphasis>
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
in de zaak van
</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
<nr>
1.
</nr>
Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid,
</title>
    <para>
vestigingsplaats: Amsterdam,
</para>
    <para>
<emphasis role="bold">
2. Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds Bouw &amp; Infra
</emphasis>
,
</para>
    <para>
vestigingsplaats: Harderwijk,
</para>
    <para>
<emphasis role="bold">
3. Stichting Aanvullingsfonds Bouw &amp; Infra
</emphasis>
,
</para>
    <parablock>
      <para>
vestigingsplaats: Harderwijk,
</para>
      <para>
eiseressen,
</para>
      <para>
gemachtigde: Flanderijn gerechtsdeurwaarders,
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
tegen
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
<emphasis role="bold">
Ridderbouw B.V.
</emphasis>
,
</para>
      <para>
vestigingsplaats: Dordrecht,
</para>
      <para>
gedaagde,
</para>
      <para>
vertegenwoordigd door: [naam01] .
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
Eiseressen worden hierna samen aangeduid als “de Stichtingen” en individueel als “het Pensioenfonds” (eiseres sub 1), “het O&amp;O-fonds” (eiseres sub 2) en “het Aanvullingsfonds” (eiseres sub 3). Gedaagde wordt hierna aangeduid als “Ridderbouw”.
</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
<nr>
1.
</nr>
De procedure
</title>
    <paragroup>
      <nr>
1.1.
</nr>
      <para>
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>
de dagvaarding van 17 mei 2022, met bijlagen;
</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
het antwoord van Ridderbouw (e-mailbericht van 29 juni 2022);
</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
de akte uitlaten tevens houdende vermindering van eis van 28 juli 2022 van de Stichtingen;
</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
de antwoordakte van Ridderbouw (e-mailbericht van 5 augustus 2022).
</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
<nr>
2.
</nr>
Het geschil
</title>
    <paragroup>
      <nr>
2.1.
</nr>
      <para>
Volgens de Stichtingen valt Ridderbouw als werkgever onder hun werkingssfeer en is Ridderbouw daarom verplicht om premies/bijdragen te betalen voor haar werknemers. De Stichtingen vorderen in de dagvaarding dat Ridderbouw wordt veroordeeld om ter zake van premies/bijdragen, buitengerechtelijke incassokosten en rente aan het Pensioenfonds een bedrag van € 2.390,91 te betalen, aan het O&amp;O-fonds een bedrag van € 85,26 en aan het Aanvullingsfonds een bedrag van € 24,94. Dit alles met veroordeling van Ridderbouw in de kosten van het geding, te vermeerderen met de btw.
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
2.2.
</nr>
      <para>
In haar antwoord stelt Ridderbouw dat zij “heden” een bedrag van € 1.173,24 heeft overgemaakt aan de Stichtingen en een bedrag van € 650,65 aan Flanderijn voor de kosten.
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
2.3.
</nr>
      <para>
De Stichtingen hebben op deze betalingen gereageerd in hun akte uitlaten. Zij hebben toegelicht dat in het petitum van de dagvaarding per abuis een op 26 januari 2022 van Ridderbouw ontvangen bedrag van € 935,39 niet verwerkt was, waardoor de vordering van het Pensioenfonds € 1.496,73 had moeten zijn, van het O&amp;O-fonds € 53,37 en van het Aanvullingsfonds € 15,61. Met de betalingen van Ridderbouw van € 1.173,24 en € 650,65 (totaal € 1.823,89), die zijn ontvangen, heeft Ridderbouw de openstaande bedragen voldaan en een deel (€ 258,17) van de proceskosten. Volgens de Stichtingen zijn de betalingen gedaan en ontvangen na betekening van de dagvaarding en nadat de eerste zittingsdag had plaatsgevonden, zodat zij recht heeft op vergoeding van het overige deel van de proceskosten. De Stichtingen hebben gelet op het voorgaande hun eis verminderend en vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Ridderbouw te veroordelen in de kosten van het geding, te vermeerderen met de btw over de daarvoor in aanmerking komende kostenposten.
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
2.4.
</nr>
      <para>
Ridderbouw stelt in haar antwoordakte dat zij alles heeft betaald en dat zij niet begrijpt waarom de Stichtingen meer van haar willen.
</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
<nr>
3.
</nr>
De beoordeling
</title>
    <paragroup>
      <nr>
3.1.
</nr>
      <para>
De kantonrechter is van oordeel dat de Stichtingen terecht aanspraak maken op de proceskosten. Doordat Ridderbouw de vorderingen van de Stichtingen heeft erkend en pas na de dagvaarding en eerste rolzitting heeft betaald, hebben de Stichtingen proceskosten moeten maken die voorkomen hadden kunnen worden als Ridderbouw de vorderingen vóór het uitbrengen van de dagvaarding had betaald. Ridderbouw is hierdoor de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, zodat zij in de proceskosten veroordeeld zal worden. De kantonrechter zal er bij het bepalen van de hoogte van de proceskosten rekening mee houden dat de in de dagvaarding gevorderde hoofdsom te hoog was omdat de Stichtingen de betaling van € 935,39 daar per abuis niet in hadden opgenomen. De kantonrechter zal er ook rekening mee houden dat Ridderbouw reeds een deel van de proceskosten betaald heeft.
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
3.2.
</nr>
      <para>
De proceskosten van de Stichtingen worden tot vandaag begroot op € 487,- aan griffierecht, € 131,18 aan dagvaardingskosten en € 187,- aan salaris gemachtigde (1 punt met een waarde van € 187,- per punt). Vanwege de betaling van Ridderbouw van € 258,17, zal Ridderbouw worden veroordeeld om € 547,01 aan proceskosten aan de Stichtingen te betalen.
</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
<nr>
4.
</nr>
De beslissing
</title>
    <para>
De kantonrechter:
</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>
4.1.
</nr>
      <para>
veroordeelt Ridderbouw in (het nog niet betaalde deel van) de proceskosten, aan de kant van de Stichtingen tot vandaag vastgesteld op € 547,01;
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
4.2.
</nr>
      <para>
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
4.3.
</nr>
      <para>
wijst het meer of anders gevorderde af.
</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Joele en in het openbaar uitgesproken.
</para>
        <para>
31688
</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>