<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2022:7641</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-01-14T11:31:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-01-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">9021492 CV EXPL 21-6119</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:7641">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:7641</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-03T09:51:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2022:7641 Rechtbank Rotterdam , 21-01-2022 / 9021492 CV EXPL 21-6119</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2022:7641:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Huurovereenkomst</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2022:7641:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 9021492 \ CV EXPL  21-6119</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>uitspraak: 21 januari 2022 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam</emphasis>,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1.</nr>de vennootschap onder firma</title>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [firma A]
        </emphasis>,</para>
      <para>vestigingsplaats: [vestigingsplaats A]<emphasis role="bold"> en</emphasis></para>
    </parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">2. [persoon A 1]</emphasis>,</para>
    <para>woonplaats: [woonplaats]<emphasis role="bold"> en</emphasis></para>
    <para>
      <emphasis role="bold">3. [persoon A 2]</emphasis>,</para>
    <parablock>
      <para>woonplaats: [woonplaats]</para>
      <para>hierna: “ [firma A] ”,</para>
      <para>eiseressen bij exploot van dagvaarding van 30 april 2020, </para>
      <para>gemachtigde: mr. G.L. Breunesse,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [bedrijf B]
        </emphasis>,</para>
      <para>vestigingsplaats: [vestigingsplaats B] ,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>hierna: “ [bedrijf B] ”,</para>
      <para>gemachtigde: mr. A.E. Klomp.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1.</nr>Het verdere verloop van de procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Het verdere verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het verwijzingsvonnis van 10 februari 2021;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de rolbeslissing van 7 mei 2021;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de akte van 1 juni 2021 van de zijde van [firma A] , met producties;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de akte van 1 juni 2021 van de zijde van [bedrijf B] ;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het tussenvonnis van 13 september 2021, waarin een mondelinge behandeling is bepaald.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2.</nr>De verdere beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Bij vonnis van 10 februari 2021 heeft de civiele rechter geoordeeld dat sprake is van een huurovereenkomst. De civiele rechter heeft de zaak daarom verwezen naar de kantonrechter. Vervolgens is partijen de gelegenheid gegeven hun vorderingen en stellingen aan te passen c.q. aan te vullen aan de situatie waarin sprake is van een huurovereenkomst. Partijen hebben dat niet gedaan; [firma A] heeft met name haar betoog over de kwalificatievraag herhaald en ook [bedrijf B] is bij het eerder ingenomen standpunt gebleven. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Omdat de beslissing over de kwalificatie van de overeenkomst binnen het kader van het bevoegdsheidsincident is genomen, is de kantonrechter aan die beslissing niet gebonden. In het vervolg van de procedure zijn evenwel geen nieuwe feiten en omstandigheden gesteld. Sterker nog, tijdens de laatste zitting is door [firma A] onderkend dat haar uiteindelijke doel van de procedure is dat zij de exploitatie weer overneemt, zodat de zoon die te zijner tijd kan overnemen. Daaruit volgt reeds de juistheid van het oordeel van de civiele rechter dat het nu [bedrijf B] is die de zaak exploiteert. De kantonrechter ziet geen aanleiding over het kwalificatievraagstuk anders te oordelen, mede gelet op het hiernavolgende. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Door [firma A] is ten onderbouwing van haar standpunt een arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch aangehaald, waar tot een andere conclusie is gekomen. Dit laat zich eenvoudig verklaren. In die kwestie hebben partijen met elkaar overleg gevoerd en is de mogelijkheid van het sluiten van een huurovereenkomst expliciet besproken. De uitkomst van het overleg is geweest dat géén huurovereenkomst werd gesloten. De constructie die uiteindelijk door die partijen is gekozen is dan ook weliswaar vergelijkbaar met de nu tussen partijen afgesproken constructie, maar het wezenlijke verschil is dat partijen in deze zaak wél de keuze hebben gemaakt een huurovereenkomst te sluiten met daartegenover ook een vergoeding. Dat in theorie ook sprake kan zijn van een negatieve huur hebben partijen onderkend en juist expliciet opgenomen in de huurovereenkomst hoe daarmee zal worden omgegaan. Ook wordt er in de overeenkomst duidelijk gesproken over de huurovereenkomst van een onbemand tankstation. De kantonrechter is dan ook met de civiele rechter van oordeel dat partijen een huurovereenkomst hebben gesloten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Voor de ingestelde vorderingen betekent een en ander het volgende.</para>
      <paragroup>
        <nr>2.4.1</nr>
        <para>De vordering onder I. wordt afgewezen, omdat de leveringsovereenkomst niet meer bestaat, partijen hebben bewust een nieuwe overeenkomst gesloten; de huurovereenkomst. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.4.2</nr>
        <para>Ook de vordering onder II. wordt afgewezen; bij tussenvonnis is beslist dat sprake is van een huurovereenkomst en de kantonrechter ziet geen reden van dat oordeel af te wijken. Ook de subsidiaire vordering onder II. is niet toewijsbaar. Het gehuurde (een onbemand tankstation) is in dit geval te kwalificeren als een gebouwde onroerende zaak. Het gaat hier immers om een perceel grond dat – inclusief de daar op (en onder) aanwezige installaties, waarvan [firma A] (inmiddels) eigenaar is – wordt verhuurd. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.4.3</nr>
        <para>De vorderingen III. t/m VI. worden afgewezen, omdat de huurovereenkomst niet rechtsgeldig is opgezegd. </para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>
        [firma A] wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van de procedure. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3.</nr>De beslissing</title>
    <para>De kantonrechter:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst de vordering af;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [firma A] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [bedrijf B] vastgesteld op € 2.618,- aan salaris voor de gemachtigde;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. I.K. Rapmund en uitgesproken ter openbare terechtzitting.</para>
      <para>527</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>