<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2022:7506</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-09-08T12:15:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-09-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">9633077</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:7506">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:7506</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-09-08T12:13:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2022:7506 Rechtbank Rotterdam , 02-09-2022 / 9633077</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2022:7506:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vorderingen toegewezen. Door gedaagde aangevoerde betalingen staan niet vast.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2022:7506:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Rotterdam</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 9633077 CV EXPL 22-1391</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>datum uitspraak: 2 september 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van de kantonrechter</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">VGZ Zorgverzekeraar N.V.</emphasis>, rechtsopvolgster van <emphasis role="bold">VGZ voor de Zorg N.V., betreffende IZZ Zorgverzekering</emphasis></para>
      <para>vestigingsplaats: Arnhem,</para>
      <para>eiseres in conventie, verweerster in reconventie, </para>
      <para>gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders &amp; Incasso,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>, </para>
      <para>woonplaats: [woonplaats gedaagde],</para>
      <para>gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,</para>
      <para>gemachtigde: mr. G.A. Soebhag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De partijen worden hierna ‘VGZ’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1. </nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding van 13 december 2021, met bijlagen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het antwoord met eis in reconventie (tegeneis), met bijlagen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de repliek in conventie, met een eisvermindering, en het antwoord in reconventie, met een bijlage;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de dupliek in conventie en de repliek in reconventie, met een eisvermeerdering, met bijlagen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de dupliek in reconventie, met een bijlage.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2. </nr>De feiten</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>VGZ en [gedaagde] hebben een zorgverzekeringsovereenkomst met elkaar gesloten. Op grond van deze overeenkomst is [gedaagde] een bedrag van € 2.642,02 verschuldigd geworden aan VGZ. Dat bedrag ziet op premie en (hoofdzakelijk) declaraties, over de periode februari 2009 tot en met augustus 2018. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Op 28 oktober 2019 heeft (de rechtsvoorganger van) VGZ [gedaagde] laten dagvaarden. Zij heeft in die dagvaarding gesteld dat zij van [gedaagde] te vorderen heeft € 2.642,02 aan hoofdsom, € 420,29 aan rente en € 464,20 aan buitengerechtelijke kosten, minus een betaling van Zwarte van € 56,07. In het kader van die procedure heeft VGZ haar vordering beperkt tot € 500,-. In de bijlage bij die dagvaarding meldt zij (voor zover van belang):</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Indien u tijdig voor de eerste zittingsdatum (11/12/2019) betaalt, wil VGZ (…) een deel van de vordering voor haar rekening nemen en zal zij genoegen nemen met betaling van een bedrag van € 560,50. U bespaart hierdoor een aanzienlijk bedrag.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Op 5 november 2019 heeft [gedaagde] een bedrag van € 560,50 aan VGZ betaald. Daarop heeft VGZ die procedure ingetrokken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Op 29 juli 2020 heeft VGZ [gedaagde] opnieuw laten dagvaarden. In die dagvaarding heeft ze gesteld dat [gedaagde] ter zake van de hoofdsom van € 2.642,02 tot dat moment € 500,- en € 626,07, dus in totaal € 1.126,07 heeft betaald. VGZ heeft in die procedure daarom aanspraak gemaakt op € 2.435,77, met inbegrip van buitengerechtelijke kosten en verschenen rente. Uiteindelijk heeft VGZ ook deze procedure ingetrokken.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3. </nr>Het geschil</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>VGZ eist (na de eisvermindering) samengevat:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>
            [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen € 1.236,88‬ met rente;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>VGZ baseert de eis op het volgende. [gedaagde] heeft de hoofdsom van € 2.642,02 tot op heden niet volledig betaald. Zij moet daarom ook wettelijke rente, die berekend tot 9 december 2021 € 491,73 bedraagt, en een vergoeding van buitengerechtelijke kosten van € 464,20 aan VGZ betalen. Op dit totaalbedrag van € 3.597,95‬ strekt in totaal € 2.361,07‬ aan betalingen in mindering, zodat een vordering van € 1.236,88 resteert. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>
        [gedaagde] is het niet eens met de eis van VGZ en eist zelf (na eisvermeerdering) samengevat:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>voor recht te verklaren dat VGZ gehouden is de volledige vordering op grond van onverschuldigde betaling aan [gedaagde] te betalen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>VGZ te veroordelen aan haar te betalen € 1.189,51, met rente;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>voor recht te verklaren dat VGZ gehouden is de volledige vordering op grond van onrechtmatige daad aan [gedaagde] te betalen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>VGZ te veroordelen aan haar te betalen € 1.000,-, met rente;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>VGZ te veroordelen in de proceskosten, met rente;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>
        [gedaagde] baseert haar verweer en de tegeneis op het volgende. Er is geen sprake van een betalingsachterstand. [gedaagde] heeft juist € 1.189,51 teveel betaald. Dit bedrag moet VGZ op grond van onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW) terugbetalen aan [gedaagde]. Daarnaast heeft [gedaagde] immateriële schade geleden doordat zij onterecht in deze procedure is betrokken door VGZ. VGZ moet daarom een immateriële schadevergoeding van € 1.000,- betalen aan [gedaagde] (art. 6:162 BW). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>VGZ is het niet eens met de tegenvordering. Zij stelt dat zij de procedure wel degelijk terecht is gestart en dat zij daarom niets verschuldigd is aan [gedaagde]. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4. </nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Uitgangspunt</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Er is geen discussie over dat [gedaagde] aanvankelijk € 2.642,02 verschuldigd was aan VGZ, op grond van de zorgverzekeringsovereenkomst tussen partijen. Het verweer van [gedaagde] en haar tegenvordering zijn gebaseerd op de stelling dat zij dit bedrag al ruimschoots betaald heeft. Daarom zullen de door partijen gestelde betalingen hierna achtereenvolgens worden behandeld. Daarbij wordt voorop gesteld dat het aan [gedaagde] is om deze betalingen deugdelijk te onderbouwen (art. 150 Rv). </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Betaling van € 56,07 </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Er is geen discussie over dat [gedaagde] op enig moment voorafgaand aan de eerste dagvaarding € 56,07 heeft betaald aan VGZ (2.2). </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Betaling van € 560,50</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Er is ook geen discussie over dat [gedaagde] op 5 november 2019 een bedrag van € 560,50 heeft betaald. VGZ heeft bij repliek in conventie aangevoerd dat een deel van dit bedrag van € 60,50 ziet op de explootkosten van de dagvaarding van 28 oktober 2019. Dit strookt met de tekst in de bijlage van die dagvaarding (2.2). Bij dupliek heeft [gedaagde] deze vorm van toerekening niet betwist. Daarom staat als onvoldoende gemotiveerd betwist vast dat door deze betaling € 500,- in mindering strekt op de hoofdsom van € 2.642,02.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Termijnbedragen van € 95,-</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Verder staat vast dat [gedaagde] in ieder geval 19 maal een bedrag van € 95,- heeft betaald, dus een totaalbedrag van € 1.805,-. [gedaagde] heeft bij dagvaarding gesteld dat zij in aanvulling hierop in juni en juli 2020 ook € 95,- heeft betaald. VGZ heeft dit bij repliek betwist en er daarbij op gewezen dat zij heeft geconstateerd dat deze betalingen niet zijn verricht aan haar, maar aan de betaalprovider [naam]. [gedaagde] heeft hierop bij dupliek niet inhoudelijk gereageerd. Zij heeft slechts betaalbewijzen overgelegd. Uit die bewijzen blijkt dat de betalingen zijn overgeschreven naar het rekeningnummer [bankrekeningnummer 1]. Aangezien [gedaagde] niet heeft gereageerd op de stellingen van VGZ, staat als onbetwist vast dat dit geen rekeningnummer van VGZ of haar gemachtigde betreft. Daarbij merkt de kantonrechter op dat op alle aanmaningen en dagvaardingen van VGZ het rekeningnummer [bankrekeningnummer 2] is vermeld. De twee aanvullende betalingen aan VGZ van € 95,- komen daarom als onvoldoende onderbouwd niet vast te staan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Op grond van het voorgaande staat vast dat [gedaagde] in ieder geval een bedrag van € 2.361,07‬ heeft betaald aan VGZ.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Overige betalingen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>
        [gedaagde] bij antwoord in conventie aangevoerd dat zij in totaal € 3.681,57 heeft betaald aan VGZ. VGZ heeft dit gemotiveerd betwist bij repliek in conventie. [gedaagde] heeft op deze betwisting niet inhoudelijk gereageerd, maar ze heeft bij dupliek in conventie gesteld dat zij in totaal € 2.551,07 heeft afgelost aan de gemachtigde van VGZ, te weten het voornoemde bedrag van € 2.361,07 en de twee hiervoor behandelde extra betalingen van € 95,-. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat [gedaagde] haar stelling dat zij € 3.681,57 heeft betaald voor het overige heeft laten varen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Betaling van € 1.226,10</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft, voor het eerst bij dupliek in conventie, aangevoerd dat zij in aanvulling op het voorgaande nog € 1.226,10 heeft betaald aan de voormalige gemachtigde van VGZ, namelijk 19 maal € 41,90, eenmaal € 100,51 en eenmaal € 329,49. Het had op haar weg gelegen om deze betalingen met betaalbewijzen te onderbouwen. Zij heeft als onderbouwing echter slechts een e-mail overgelegd van haarzelf aan haar gemachtigde. Bij dupliek in reconventie heeft VGZ deze betalingen betwist. Als onvoldoende onderbouwd komen ook deze betalingen niet vast te staan.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Tussenconclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>Kortom, vast komt te staan dat [gedaagde] € 2.361,07 heeft betaald aan VGZ. Omdat de betalingen eerst in mindering strekken op de buitengerechtelijke kosten en rente (art. 3:44 BW), wordt daarover eerst geoordeeld. Daarna wordt geoordeeld welke hoofdsom [gedaagde] nog verschuldigd is. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Buitengerechtelijke incassokosten en rente</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>De buitengerechtelijke incassokosten van € 464,20 zijn toewijsbaar, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om een vergoeding voor deze kosten te krijgen. De rente, die berekend tot 9 december 2021 € 491,73 bedraagt, is ook toewijsbaar, omdat uit de stellingen van VGZ volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] deze stellingen, afgezien van het hiervoor behandelde verweer, niet heeft betwist.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Eindconclusie </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <para>De conclusie van het voorgaande is dat [gedaagde] door haar betalingen van in totaal € 2.361,07 de buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente volledig heeft betaald. Het restant van € 1.405,14‬ strekt in mindering op de hoofdsom van € 2.642,02. Daarom wordt de in conventie gevorderde hoofdsom van € 1.236,88 toegewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <para>Dit betekent dat de stelling van [gedaagde] in reconventie, dat zij de hoofdsom al ruimschoots heeft voldaan, niet vast komt te staan. De in reconventie gevorderde betaling op grond van onverschuldigde betaling wordt daarom afgewezen. De immateriële schadevergoeding wordt eveneens afgewezen, omdat ook die vordering is gebaseerd op de (onjuiste) stelling dat VGZ onterecht een procedure is gestart tegen [gedaagde]. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12.</nr>
      <para>
        [gedaagde] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten in zowel conventie als reconventie betalen. De kantonrechter stelt deze kosten in conventie aan de kant van VGZ tot vandaag vast op € 123,60 aan dagvaardingskosten, € 322,- aan griffierecht en € 248,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 124,- tarief). In reconventie worden deze kosten aan de kant van VGZ tot vandaag vastgesteld op € 187,- aan salaris voor de gemachtigde (½  x  2 punten x € 187,- tarief). Dit is totaal € 880,60. Voor kosten die VGZ maakt na deze uitspraak moet [gedaagde] ook een bedrag betalen van € 62,- (1/2 punt x € 124,- tarief). Hier kan nog een bedrag bijkomen voor de betekening van de uitspraak. In dit vonnis hoeft hierover geen aparte beslissing te worden genomen (ECLI:NL:HR:2022:853). </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Uitvoerbaarheid bij voorraad</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13.</nr>
      <para>Dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5. </nr>De beslissing</title>
    <para>De kantonrechter:</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] om aan VGZ te betalen € 1.236,88 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf 9 december 2021 tot de dag van volledige betaling;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten in conventie en in reconventie, aan de kant van VGZ tot vandaag vastgesteld op € 880,60;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>wijst de vorderingen in reconventie af.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. E.I. Mentink en in het openbaar uitgesproken.</para>
        <para>33394</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>