<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2022:7036</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T17:31:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-08-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ROT 21/4175</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Belastingblad 2022/365</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:7036">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:7036</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-08-23T09:39:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2022:7036 Rechtbank Rotterdam , 22-08-2022 / ROT 21/4175</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2022:7036:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Invorderingswet – aanmaningskosten -  ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2022:7036:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para>Bestuursrecht </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: ROT 21/4175</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 augustus 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [naam eiser], te [woonplaats eiser], eiser,</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, verweerder,</bridgehead>
    <para>gemachtigde: mr. P. van Hattem.</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij aanslag lokale belastingen gedagtekend 18 januari 2021 heeft verweerder aan eiser aanslagen gemeentelijke belastingen (onroerendezaakbelasting eigenaren woning, rioolheffing en afvalstoffenheffing) opgelegd van in totaal € 1.243,51. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 4 mei 2021 heeft verweerder aan eiser een aanmaning gestuurd waarbij ook aanmaningskosten van € 17,- zijn opgelegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft bij brief van 20 mei 2021 bezwaar gemaakt tegen de aanmaning.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak op bezwaar van 22 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. 	Met dagtekening 18 januari 2021 is aan eiser een aanslag gemeentelijke heffingen opgelegd. Op het aanslagbiljet staat vermeld dat de aanslag vóór 21 maart 2021 dient te worden betaald. Eiser heeft de aanslag niet voor de laatste vervaldag betaald. Verweerder stelt (en door eiser betwist) een brief op 13 april 2021 te hebben verstuurd met een betalingsherinnering ter voorkoming van een aanmaning. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Als gevolg van het uitblijven van de betaling van de aanslag heeft verweerder een aanmaning met dagtekening 4 mei 2021 aan eiser toegezonden. Het totaalbedrag van de aanmaning van € 1.260,51 is onderverdeeld in € 1.243,51 (bedrag van de aanslag gemeentelijke heffingen) en € 17,- (aanmaningskosten). Eiser heeft op 11 mei 2021 een betaling gedaan van € 1.243,51 (het bedrag van de gemeentelijke aanslag zonder de aanmaningskosten). Bij brief van 3 juni 2021 heeft verweerder aan eiser een dwangbevel gestuurd voor een verschuldigd bedrag van € 17,- waarbij ook dwangbevelkosten van € 44,- zijn opgelegd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>In geschil is of de aanmaningskosten (en dus ook: de kosten van het dwangbevel) terecht in rekening zijn gebracht. </para>
      <para />
      <para>2. Eiser voert aan dat aanmaningskosten pas in rekening kunnen worden gebracht nadat een aanmaningsbrief is verzonden. De brief met de betalingsherinnering die verweerder stelt te hebben verzonden op 13 april 2021 heeft eiser niet ontvangen. Nu eiser voorafgaand aan de aanmaning geen herinnering heeft ontvangen kunnen er geen aanmaningskosten in rekening worden gebracht. </para>
      <para />
      <para>3. Op grond van artikel 231, eerste lid, Gemeentewet geschieden de heffingen en de invordering van gemeentelijke belastingen met toepassing van de Algemene wet, de Invorderingswet 1990 (IW 1990) en de Kostenwet invordering rijksbelastingen als waren die belastingen rijksbelastingen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Indien de belastingschuldige een belastingaanslag niet binnen de gestelde termijn betaalt, maant de ontvanger op grond van artikel 11 IW 1990 hem schriftelijk aan om alsnog binnen twee weken na de dagtekening van de aanmaning te betalen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op grond van artikel 2 Kostenwet invordering rijksbelastingen zijn aan het verzenden van een aanmaning tot betaling kosten verbonden, namelijk een bedrag van € 8,- bij een gevorderde som tot € 454,- en een bedrag van € 17,- bij een gevorderde som van € 454,- of meer (tarieven 2021). Tegen de door de ontvanger in rekening gebrachte kosten kan ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen bezwaar worden gemaakt bij de ontvanger en nadien beroep worden ingesteld bij de belastingrechter.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Vaststaat dat eiser de aanslag niet vóór de laatste vervaldatum (21 maart 2021) heeft betaald. Uit wet- en regelgeving volgt niet dat verweerder gehouden was een brief (ter herinnering) te versturen vóór het versturen van de aanmaning. De rechtbank volgt deze stelling van eiser niet. Dat verweerder in onderhavige zaak een brief heeft verstuurd op 13 april 2021 met een kosteloze betalingsherinnering en eiser deze brief nooit heeft gehad doet niets af aan de rechtmatigheid van de aanmaning. Verweerder was namelijk niet wettelijk verplicht een dergelijke brief te versturen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Uit de conclusie van de rechtbank dat de aanmaningskosten terecht in rekening zijn gebracht volgt ook het dwangbevel terecht is opgelegd (inclusief kosten betekening van het dwangbevel). </para>
      <para />
      <para>4. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
      <para />
      <para>5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. G.C.W. van der Feltz, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Tchang, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Rechter 					Griffier</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>