<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2022:6987</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-08-24T12:59:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-08-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10044290</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_burgerlijkProcesrecht">Civiel recht; Burgerlijk procesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:6987">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:6987</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-08-24T12:59:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2022:6987 Rechtbank Rotterdam , 18-08-2022 / 10044290</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2022:6987:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bevoegdheid verzoekschrift tot voorlopig getuigenverhoor. 187 Rv. Verwijzing.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2022:6987:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Rotterdam</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 10044290 VZ VERZ 22-10570</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>datum uitspraak: 18 augustus 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beschikking van de kantonrechter</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoeker]
        </emphasis>,</para>
      <para>woonplaats: [woonplaats verzoeker],</para>
      <para>verzoeker,</para>
      <para>die zelf procedeert,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verweerster]
        </emphasis>,</para>
      <para>woonplaats: [woonplaats verweerster],</para>
      <para>verweerster,</para>
      <para>die niet is verschenen in deze procedure.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De partijen worden hierna ‘[verzoeker]’ en ‘[verweerster]’ genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1. </nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De kantonrechter heeft kennisgenomen van het verzoekschrift van [verzoeker] tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor, dat op 10 augustus 2022 op de griffie ontvangen is. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2. </nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [verzoeker] verzoekt de kantonrechter om een voorlopig getuigenverhoor van [verweerster] te bevelen, op grond van artikel 186 Rv. Hij stelt dat [verweerster] op 28 januari 2020 een valse aangifte heeft gedaan bij de politie van Amsterdam en dat hij vervolgens om die reden onrechtmatig is aangehouden op 30 april 2020. [verzoeker] stelt dat hij hierdoor inkomsten is misgelopen en reputatieschade heeft opgelopen en dat hij daarom overweegt een procedure aanhangig te maken tegen [verweerster]. Het gaat daarbij (in zijn woorden) om “een verklaring voor recht en/of een schadestaatprocedure en/of een reguliere aansprakelijkheidsprocedure”.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De kantonrechter dient eerst ambtshalve te beoordelen of zij relatief bevoegd is om van deze zaak kennis te nemen (art. 110 lid 1 Rv). Uit artikel 187 Rv volgt dat bevoegd is ofwel (1) de rechter die vermoedelijk bevoegd zal zijn van de hoofdzaak kennis te nemen, ofwel (2) de absoluut bevoegde rechter van de woonplaats van [verweerster]. Ten aanzien van deze situaties wordt het volgende overwogen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De kantonrechter oordeelt dat zij vermoedelijk niet bevoegd zal zijn van de hoofdzaak kennis te nemen. Omdat [verzoeker] een procedure wil starten tegen [verweerster] en hij stelt dat zij in de gemeente Waterland woonachtig is, is rechtbank Noord-Holland in beginsel bevoegd kennis te nemen van de zaak. Uit artikel 99 Rv volgt namelijk als hoofdregel dat de rechter van de woonplaats van de gedaagde bevoegd is. Verder overweegt de kantonrechter dat [verzoeker] aanvoert zijn vordering in de hoofdzaak mogelijk te willen baseren op onrechtmatige daad. Op grond van artikel 102 Rv is de rechtbank in Amsterdam in dat geval mede bevoegd van de vordering kennis te nemen. Het (eventuele) schadebrengende feit, namelijk de aangifte, heeft zich immers voorgedaan in Amsterdam. Er zijn geen aanknopingspunten waaruit zou volgen dat rechtbank Rotterdam mede bevoegd is (art. 100 e.v. Rv). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De absoluut bevoegde rechter van de woonplaats van [verweerster] betreft evenmin de kantonrechter in Rotterdam. Weliswaar is de kantonrechter absoluut bevoegd, aangezien [verzoeker] stelt dat het geldelijk belang van zijn vordering minder bedraagt dan € 25.000,-. Gezien de woonplaats van [verweerster] is de kantonrechter van de Rechtbank Noord-Holland echter bevoegd om deze zaak te behandelen en te beslissen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Op grond van het voorgaande verklaart de kantonrechter zich onbevoegd om kennis te nemen van dit verzoek. De zaak wordt verwezen naar de kantonrechter van Rechtbank Noord-Holland (art. 110 Rv). De zaak wordt daar in de stand waarin zij zich bij verwijzing bevindt voortgezet (art. 74 lid 3 Rv). </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3. </nr>De beslissing</title>
    <para>De kantonrechter:</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>verklaart zich relatief onbevoegd om van het verzoek kennis te nemen;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>verwijst de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt, naar de kantonrechter van Rechtbank Noord-Holland.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze beschikking is gegeven door mr. K.J. Bezuijen en in het openbaar uitgesproken.</para>
        <para>33394</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>