<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2022:66</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-01-27T11:23:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-01-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-01-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21.440 FT RK</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_insolventierecht">Civiel recht; Insolventierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001860&amp;artikel=6&amp;g=2017-12-23">Faillissementswet 6</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>INS-Updates.nl 2022-0022</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:66">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:66</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-01-07T13:48:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-01-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2022:66 Rechtbank Rotterdam , 06-01-2022 / 21.440 FT RK</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2022:66:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Faillissement uitgesproken op tegenspraak. Toestand van opgehouden te betalen gebleken. Pluraliteit van schuldeisers. Aanspraak NOW5 en NOW6 onvoldoende gesteld of gebleken.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2022:66:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank Rotterdam </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team insolventie</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Insolventienummer: [nummer]</para>
      <para>Uitspraak: 6 januari 2022 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>VONNIS op het op 13 december 2021 ingekomen verzoekschrift, met bijlage(n), van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [naam 1] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te Spijkenisse,</para>
      <para>verzoeker,</para>
      <para>advocaat: mr. B.L. ‘t Hart,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>strekkende tot faillietverklaring van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">SANBAK PERSONEEL B.V.,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te Oostzanddijk 14 WINK,</para>
      <para>3221 AL Hellevoetsluis,</para>
      <para>statutair gevestigd te Hellevoetsluis,</para>
      <para>verweerster.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 4 januari 2022 zijn in raadkamer gehoord, verzoeker, alsmede mr. B.L. ’t Hart en de heer [naam 2] . Namens verweerster is gehoord de heer [naam 3] (middellijk bestuurder), bijgestaan door de heer [naam 4] . </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorafgaand aan de zitting heeft verweerster op 3 januari 2022 een verweerschrift ingediend.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Standpunt van partijen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft het faillissement van verweerster aangevraagd, stellende dat hij een opeisbare vordering heeft op verweerster. De vordering van verzoeker bestaat uit het niet ontvangen loon vanaf 11 oktober 2021 tot en met 5 december 2021. De opeisbare vordering bedraagt € 6.013,12 bruto. De steunvordering bestaat uit een vordering van de heer W. de Jonge van € 4.848,80 bruto die eveneens vanaf 11 oktober 2021 tot en met 5 december 2021 geen loonbetaling ontvangen heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerster heeft in haar verweerschrift (samengevat) het volgende aangevoerd. Verweerster betwist de vordering van verzoeker nu er volgens verweerster een tegenvordering op verzoeker is. De tegenvordering is hoger dan de vordering van verzoeker. Verweerster heeft aangevoerd dat door gedragingen van verzoeker in de uitvoering van zijn functie schade is geleden die opeisbaar is geworden. Verzoeker heeft drie officiële waarschuwingen gekregen vanwege onhandelbare gedragingen, waaronder het weglopen tijdens een dienst, waardoor er geen kok beschikbaar was in het restaurant en deze per direct moest sluiten. Tevens is er een laptop in bruikleen gegeven aan verzoeker die niet is terug gegeven. Verder heeft verweerster gesteld dat zij niet in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen, nu er een aanvraag NOW5 en NOW6 is ingediend bij het UWV. Verweerster stelt dat zij niet eerder in aanmerking kwam voor NOW1 tot en met NOW4 nu zij haar onderneming pas na 1 februari 2020 heeft opgericht. Met betrekking tot NOW5 en NOW6 stelt verweerster hiervoor wel in aanmerking te komen, waarmee de lonen van het personeel voldaan kunnen worden. Tot slot doet verweerster een verzoek tot betalingsuitstel op grond van Tijdelijk Wet COVID-19 SZW en JenV.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter terechtzitting is door verweerster gesteld dat er door verzoeker geen arbeid is geleverd. Indien verzoeker geen arbeid levert staat daar geen loon tegenover. Daarnaast wordt de steunvordering niet betwist. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerster betwist dat zij in een staat verkeert dat zij is opgehouden met betalen en dat er sprake is van pluraliteit van schuldeisers. Zij verzoekt het verzoek tot faillietverklaring af te wijzen met veroordeling van verzoeker in de kosten van de procedure.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verweerster in Nederland ligt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het, overigens niet met stukken onderbouwde, verzoek om uitstel van de behandeling van het verzoek op grond van de Tijdelijke wet COVID-19 SZW en JenV (de Tijdelijke voorziening betalingsuitstel) dient te worden afgewezen nu deze voorziening met ingang van 1 augustus 2021 is vervallen. Onweersproken is dat het belang van verzoeker die als werknemer geen loon ontvangt en een beroep wenst te doen op de loongarantieregeling mee brengt dat op korte termijn zal worden geoordeeld over het verzoek. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 6 van de Faillissementswet wordt de faillietverklaring uitgesproken, indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen en, als een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Van de hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden blijkt in het algemeen, indien sprake is van pluraliteit van schuldeisers, terwijl tenminste één vordering opeisbaar is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank overweegt als volgt. Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting oordeelt de rechtbank dat verweerster de vordering van verzoeker summierlijk vast staat en niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd, is weersproken. Verzoeker heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij, los van de periode van ziekte, zich beschikbaar heeft gehouden voor het uitvoeren van zijn werk maar dat verweerster daarvan geen gebruik heeft gemaakt.  Daarnaast is niet gebleken dat verweerster de gepretendeerde tegenvordering buiten rechte heeft teruggevorderd. De schade die wordt gesteld is gelet op de gemotiveerd betwisting niet aannemelijk gemaakt. Een recht op verrekening met de verplichting om loon door te betalen is niet aangetoond. </para>
      <para>Voor wat betreft de financiële toestand voert verweerster aan dat zij erkent in november aan het personeel te hebben aangekondigd eigen aangifte van faillissement te doen, maar dat zij inmiddels loonsteun bij het UWV heeft aangevraagd met betrekking tot NOW5 en NOW6. Dat de aanvraag gaat leiden tot toekenning van subsidie is onbekend, en verweerster heeft niet aannemelijk kunnen maken dat de toestand van te hebben opgehouden te betalen met de ontvangst van een besluit tot toekenning zal leiden tot betaling van de vordering van verzoeker. Daarbij komt dat de loonvordering van verzoeker dateert vanaf 11 oktober 2021. De NOW5 geldt voor de periode vanaf 1 november en december 2021. NOW6 heeft betrekking op de periode januari 2022 tot en met maart 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts concludeert de rechtbank dat verzoeker voldoende heeft gemotiveerd en onderbouwd dat verweerder meerdere schuldeisers heeft. Verzoeker heeft daartoe stukken aan de rechtbank overgelegd. Ter zitting was met instemming van partijen een collega werknemer van verweerster aanwezig, die evenmin wordt betaald. Verweerster erkent de steunvordering van verweerder. Gelet hierop is de rechtbank dan ook van oordeel dat sprake is van pluraliteit van schuldeisers. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank oordeelt dat summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van verzoeker en van het bestaan van feiten of omstandigheden die aantonen dat verweerster in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen. Een en ander leidt ertoe dat de rechtbank het verzoek tot faillietverklaring zal toewijzen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart SANBAK PERSONEEL B.V. voornoemd in staat van faillissement;</para>
    <para />
    <para>- benoemt tot rechter-commissaris mr. M. Aukema, lid van deze rechtbank;</para>
    <para />
    <para>- stelt aan tot curator mr. J.M. van der Wulp, advocaat te Rotterdam;</para>
    <para />
    <para>- geeft last aan de curator tot het openen van brieven en telegrammen aan de gefailleerde gericht;</para>
    <para />
    <para>- wijst het verzoek van verweerster tot veroordeling van verzoeker in de proceskosten af.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van </para>
      <para>J. Hillen-Huizer, griffier, in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2022 te 14:00 uur. <footnote-ref linkend="_9fa02b41-76e5-4088-bdee-6f06d160e8e1" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_9fa02b41-76e5-4088-bdee-6f06d160e8e1" label="1">
    <para>Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>