<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2022:6413</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-09-12T14:18:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:RBROT:2022:6416</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-08-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ROT 21/6238</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:6413">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:6413</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-08-01T13:53:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2022:6413 Rechtbank Rotterdam , 02-08-2022 / ROT 21/6238</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2022:6413:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Aanvraag op grond van de voorziening Tijdelijke Ondersteuning voor Noodzakelijke Kosten (TONK) toegekend. Verweerder was niet gehouden een hogere tegemoetkoming te verstrekken.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2022:6413:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Rotterdam</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: ROT 21/6238</para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 augustus 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [naam eiser] , uit [plaats] , eiser,</title>
    <para>(gemachtigde: mr. G.A.H. Wiekamp),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>het Drechtstedenbestuur, verweerder,</title>
    <para>(gemachtigde: mr. T. Franssen). </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de toekenning door verweerder van een bedrag van € 487,62 op grond van de voorziening Tijdelijke Ondersteuning voor Noodzakelijke Kosten (TONK). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft de aanvraag van eiser op grond van de TONK met het besluit van 21 juni 2021 toegewezen. Met het bestreden besluit van 18 november 2022 (bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de toewijzing van de aanvraag ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft op 16 december 2021 beroep ingesteld bij de rechtbank. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft nadere stukken ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het besluit van 15 februari 2022 (bestreden besluit II) heeft verweerder de toekenning op grond van de TONK verhoogd naar een bedrag van € 2367,-. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een nader verweerschrift ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het besluit van 15 februari 2022 bezwaar gemaakt. De rechtbank heeft het besluit van 15 februari 2022 aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en betrokken in de beroepsprocedure. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 13 juli 2022 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Achtergrond</title>
    <para />
    <para>1. Eiser heeft op 17 juni 2021 een aanvraag gedaan op grond van de TONK voor de maanden januari 2021 tot en met september 2021. Eiser heeft opgegeven dat zijn totale lasten € 1.015,05 per maand bedragen en bestaan uit water, Eneco, gemeentelijke belastingen, hypotheekrente, verplichte verzekering voor de hypotheekverstrekker, woonverzekering en huur parkeerplaats. Eiser ontvangt een AOW-uitkering en pensioen en is daarnaast werkzaam als zelfstandig belastingconsulent. In zijn aanvraag heeft eiser aangegeven dat hij vanwege de coronacrisis veel inkomsten is misgelopen.</para>
    <para />
    <para>2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de door eiser aangevoerde kosten niet in aanmerking komen voor een vergoeding op grond van de Beleidsregels TONK Drechtsteden (de Beleidsregels), omdat de in aanmerking komende woonkosten niet boven de € 750,- uitkomen. Uit coulance heeft verweerder eiser in eerste instantie een bedrag van € 487,62 toegekend en later dit bedrag verhoogd naar € 2367,-.</para>
    <para />
    <para>3. Eiser voert aan dat verweerder een te laag bedrag heeft toegekend op grond van de TONK en het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Zo heeft verweerder ten onrechte de servicekosten en gemeentelijke belastingen niet meegenomen bij de berekening van de woonkosten. Ook heeft verweerder ten onrechte geen rekening gehouden met het verlies dat zijn onderneming heeft geleden. Daarnaast stelt eiser zich op het standpunt dat de kosten voor zijn parkeerplek ook tot de woonlasten behoren, omdat hij een handicap heeft waardoor hij een ruime parkeerplek moet huren in de buurt van zijn woning. Verder stelt eiser dat de (lage) toewijzing van zijn aanvraag getuigt van willekeur, nu er andere gemeenten zijn die op grond van de TONK hogere bedragen toekennen en ook voor andere kostenposten.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het juridisch kader</title>
    <para />
    <para>4. In de Beleidsregels Tijdelijke ondersteuning noodzakelijke kosten Drechtsteden (de Beleidsregels) is onder meer het volgende opgenomen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 4 is bepaald dat de noodzakelijke kosten waarvoor tegemoetkoming TONK kan worden verstrekt zijn: </para>
    </parablock>
    <para>a. kosten van huur; </para>
    <para>b. kosten van de hypotheek(rente) voor de woning; </para>
    <para>c. kosten van gas en stroom. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 14 is bepaald dat als de aanvrager niet of onvoldoende in aanmerking komt voor een tegemoetkoming TONK, het Drechtstedenbestuur kan afwijken van de beleidsregels indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op basis van artikel 35, eerste lid, van de Pw heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet op een andere manier kunnen worden voldaan. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>De rechtbank komt tot de volgende beoordeling <?linebreak?></title>
    <para>5.	Gelet op het bepaalde in artikel 6:19 van de Awb, heeft het beroep gericht tegen het bestreden besluiten I van rechtswege mede betrekking op het bestreden besluit II. Nu het bestreden besluit I door verweerder is gewijzigd door het bestreden besluit II en niet is gebleken dat eiser nog belang heeft bij inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit I, zal de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk verklaren. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>De TONK-regeling is bedoeld om huishoudens, die normaal gesproken niet in aanmerking zouden komen voor (bijzondere) bijstand, te ondersteunen die ten gevolge van de coronamaatregelen met een inkomensterugval te maken hebben en daardoor niet meer aan de noodzakelijke (woon)kosten, kunnen voldoen, waarvoor andere regelingen geen of onvoldoende steun bieden. Verweerder heeft in de Beleidsregels neergelegd dat voor de tegemoetkoming de volgende kosten in aanmerking komen: de kosten van huur of hypotheek(rente) van de woning voor zover deze meer bedragen dan € 750,- per maand, en de kosten van gas en stroom op basis van de Nibud Prijzengids.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>Hoewel de woonkosten van eiser niet boven de € 750,- uitkomen en hij dus niet aan de Beleidsregels voldoet heeft verweerder uit coulance met toepassing van de hardheidsclausule aanleiding gezien om hem (uiteindelijk) een tegemoetkoming van <?linebreak?>€ 2367,- toe te kennen. Verweerder heeft aan de hand van de rapportage TONK van <?linebreak?>15 februari 2022 inzichtelijk gemaakt hoe de tegemoetkoming aan eiser tot stand is gekomen. De toepassing van de hardheidsclausule is een discretionaire bevoegdheid. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen beslissen om de hardheidsclausule alleen toe te passen voor de posten hypotheek(rente) en de daaraan gekoppelde verzekering en de kosten voor gas en elektriciteit. De rechtbank begrijpt dat eiser in een financieel moeilijke situatie zit. Deze omstandigheid leidt echter niet tot een dusdanig schrijnende situatie dat verweerder gehouden was om op grond van de hardheidsclausule een hogere tegemoetkoming te verstrekken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <para>Tot slot ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder heeft gehandeld op basis van willekeur. De gemeenten voeren de TONK uit en hebben binnen dit kader aanzienlijke beleidsruimte bij het nader vormgeven van de voorwaarden. Dit leidt ertoe dat tussen gemeenten verschillen bestaan in de uitvoering van de regeling. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft hier bewust voor gekozen. Verweerder is niet gehouden om het beleid van andere gemeenten te volgen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie</title>
    <para />
    <para>7. Het beroep tegen het bestreden besluit I is niet-ontvankelijk en het beroep tegen het bestreden besluit II is ongegrond.</para>
    <para />
    <para>8. Gelet op de toepassing van artikel 6:19 van de Awb ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten en te bepalen dat het door eiser betaalde griffierecht moet worden vergoed.</para>
    <para />
    <para />
    <para>9. Er bestaat aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser in bezwaar en beroep gemaakte proceskosten. Verweerder heeft op 15 februari 2022 een nieuw besluit genomen en daarbij geen proceskostenveroordeling voor de bezwaarfase toegekend. </para>
    <para>De kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.600,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, met een waarde per punt van € 541,- en een wegingsfactor 1 en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759,- en wegingsfactor 1). </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>De rechtbank:</para>
    <para>- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk;</para>
    <para>- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond;</para>
    <para>- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van in totaal € 49,- aan eiser te vergoeden;</para>
    <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.600,-.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>mr.A.I.M. Smid, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>Griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>Rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.  </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>