<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2022:6008</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-06T16:47:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-07-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/10/628981 / HA ZA 21-993</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>ERF-Updates.nl 2022-0218</rdf:li>
          <rdf:li>JERF Actueel 2022/245</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:6008">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:6008</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-07-21T13:37:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2022:6008 Rechtbank Rotterdam , 20-07-2022 / C/10/628981 / HA ZA 21-993</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2022:6008:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Het gaat in deze zaak om het opleggen van een dwangsom (artikel 611a e.v. Rv) en/of het toepassen van lijfsdwang (artikel 585 e.v. Rv) bij de tenuitvoerlegging van de beschikking. Bevoegdheidsincident. Verwijzing naar BenGH 17 december 2009, ECLI:NL:XX:2009:BL5284 beantwoording vraag 2. Een latere uitspraak over de dwangsom hoeft niet noodzakelijk gegeven te worden door de rechter die de hoofdveroordeling heeft uitgesproken.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2022:6008:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="0cd1727c-ce2e-4aa4-9361-62702f6adffe" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="659e5985-391a-4216-a2ca-3697db4a45c9" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team handel en haven</para>
      <para>Zittingsplaats Rotterdam</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/10/628981 / HA ZA 21-993</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis in incident van 20 juli 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [naam eiseres]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats eiseres],</para>
      <para>eiseres in de hoofdzaak,</para>
      <para>verweerster in het incident,</para>
      <para>advocaat mr. E.B.R. van Griethuysen te Haarlem,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [naam gedaagde]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats gedaagde],</para>
      <para>gedaagde in de hoofdzaak,</para>
      <para>eiser in het incident,</para>
      <para>advocaat mr. D.J. van der Weerdt te Vlaardingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna [naam eiseres] en [naam gedaagde] genoemd worden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1. </nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para> de dagvaarding van 5 november 2021, met bijlagen; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie van antwoord tevens houdende de incidentele vordering tot onbevoegdverklaring;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de incidentele conclusie van antwoord.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2. </nr>De feiten </title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Op 12 februari 2015 overleed in Vlaardingen [naam] (hierna: ‘erflater’). [naam eiseres] is een zus van erflater. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [naam gedaagde] is in de beschikking van de kantonrechter van 14 juli 2020 ontslagen als executeur van de nalatenschap van erflater en is in die beschikking gelast rekening en verantwoording van zijn beheer af te leggen als bedoeld in artikel 4:151 van het Burgerlijk Wetboek.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3. </nr>Het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [naam eiseres] vordert in de hoofdzaak, met veroordeling van [naam gedaagde] in de proceskosten: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>1.	[naam gedaagde] te veroordelen om binnen één week na de betekening van dit vonnis te voldoen aan de beschikking van de kantonrechter van 14 juli 2020 (het afleggen van rekening en verantwoording van zijn beheer als executeur van de nalatenschap van erflater als bedoeld in artikel 4:151 Burgerlijk Wetboek), met een dwangsom van € 750,- voor iedere dag dat [naam gedaagde] niet aan deze veroordeling voldoet;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>2.	haar te machtigen om uitvoering van het afleggen van rekening en verantwoording te bewerkstelligen door middel van lijfsdwang/gijzeling van [naam gedaagde], zolang [naam gedaagde] daarmee in gebreke blijft, voor zover nodig te effectueren door middel van inzet van de sterke arm.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>
        [naam gedaagde] voert in het incident aan dat de rechtbank onbevoegd is kennis te nemen van de vordering van [naam eiseres] en vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaard en de zaak doorverwijst naar de kantonrechter. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4. </nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">in het incident</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>
        [naam gedaagde] stelt dat omdat de kantonrechter bevoegd was kennis te nemen van het verzoekschrift dat heeft geleid tot de beschikking van 14 juli 2020, de kantonrechter ook bevoegd is kennis te nemen van de vordering van [naam eiseres] in deze zaak. Dit standpunt is onjuist (BenGH 17 december 2009, ECLI:NL:XX:2009:BL5284 beantwoording vraag 2). Een latere uitspraak over de dwangsom hoeft niet noodzakelijk gegeven te worden door de rechter die de hoofdveroordeling heeft uitgesproken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) noemt in artikel 93 de zaken die de kantonrechter behandelt en beslist. Geen van de daar genoemde gevallen doet zich voor in deze zaak. Het gaat in deze zaak om het opleggen van een dwangsom (artikel 611a e.v. Rv) en/of het toepassen van lijfsdwang (artikel 585 e.v. Rv) bij de tenuitvoerlegging van de beschikking van 14 juli 2020. Dit is een vordering van onbepaalde waarde. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De rechtbank acht zich bevoegd kennis te nemen van de vordering van [naam eiseres]. Een oordeel over de proceskosten wordt aangehouden tot een oordeel over de proceskosten in de hoofdzaak. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">in de hoofdzaak</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>De rechtbank verwijst de hoofdzaak naar de rol om [naam eiseres] in de gelegenheid te stellen te reageren op de conclusie van antwoord van [naam gedaagde].</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5. </nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">in het incident</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>verklaart zich bevoegd kennis te nemen van de vordering van [naam eiseres];</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>houdt een beslissing over de proceskosten aan tot een beslissing daarover in de hoofdzaak;</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">in de hoofdzaak</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>verwijst de zaak naar de rol van <emphasis role="bold">woensdag 7 september 2022</emphasis> voor een conclusie van repliek aan de kant van [naam eiseres].</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door M. Fiege en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2022.</para>
        <para>414</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>