<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2022:5866</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-09-12T14:32:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-07-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10/996572-20 (ontneming)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:5866">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:5866</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-07-18T13:48:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2022:5866 Rechtbank Rotterdam , 05-07-2022 / 10/996572-20 (ontneming)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2022:5866:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit gewoontewitwassen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2022:5866:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold caps">Rechtbank Rotterdam</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Team straf </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Parketnummer: 10/996572-20 (ontneming)</para>
    <para>Datum uitspraak: 5 juli 2022</para>
    <para>Tegenspraak </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>VONNIS</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie in de zaak tegen de veroordeelde:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [naam veroordeelde] ,</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats veroordeelde] op [geboortedatum veroordeelde] ,</para>
      <para>ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:</para>
      <para>
        [adres veroordeelde] , [postcode veroordeelde] [woonplaats veroordeelde] ,</para>
      <para>gemachtigd raadsvrouw mr. H. Oldenhof, advocaat te ’s-Gravenhage.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis (hierna te noemen: ontnemingsvonnis) is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 juni 2022 dat is gesloten op de terechtzitting van 5 juli 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">VOORAFGAANDE VEROORDELING</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij afzonderlijk vonnis (hierna te noemen: strafvonnis) van deze rechtbank van 5 juli 2022 is de veroordeelde veroordeeld wegens na te noemen strafbare feit. </para>
      <para>Van dat vonnis is een kopie als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">VORDERING</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering van de officieren van justitie, mrs. F.B.W. Groendijk en L.H.H. Roebroek (hierna te noemen: de officier van justitie), strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en tot het opleggen aan veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter ontneming van dat geschatte voordeel tot een maximum van € 22.800,--.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op de terechtzitting heeft de officier van justitie deze vordering gehandhaafd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering van de officier van justitie is gebaseerd op artikel 36e, derde lid, Sr. De vordering betreft voordeel verkregen door middel van of uit de baten van het strafbare feit waarvoor de veroordeelde is veroordeeld en andere strafbare feiten waarvan aannemelijk is dat deze andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.</para>
      <para>De officieren van justitie heeft de vordering gebaseerd op het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel’<footnote-ref linkend="_8e6df41c-ee84-4c8f-866d-b798739a3f6c" /> (hierna: het rapport) dat is opgemaakt naar aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek dat naar de veroordeelde is ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">VERWEER </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdediging stelt zich op het standpunt dat de veroordeelde geen wederrechtelijk voordeel heeft genoten, als de constante stortingen worden aangemerkt als witwassen. Tegenover de stortingen staan namelijk ook overboekingen. Bij de eenvoudige kasopstelling heeft de verdediging vragen en heeft zij gesteld dat bij die methode niet wordt gekeken welk voordeel een verdachte daadwerkelijk heeft genoten van zijn criminele activiteiten. De vordering moet dan ook worden afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">STRAFBARE FEITEN WAAROP DE VOORDEELSBEREKENING IS GEBASEERD</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens voormeld vonnis van deze rechtbank is de veroordeelde veroordeeld ter zake van </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>van het plegen van witwassen een gewoonte maken. </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In deze procedure wordt derhalve als vaststaand aangenomen dat dit feit door de veroordeelde is begaan.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tevens is, gelet op het rapport, aannemelijk dat ook andere</para>
      <para>strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk </para>
      <para>voordeel heeft verkregen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">VASTSTELLING VAN HET WEDERRECHTELIJK VERKREGEN VOORDEEL</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 36e, derde lid, Sr kan aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd een ontnemingsmaatregel worden opgelegd, indien gelet op dat onderzoek aannemelijk is dat dat feit of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen. Bij het beoordelen van deze ‘aannemelijkheid’ is een berekening volgens een eenvoudige kasopstelling van legale contante inkomsten versus contante uitgaven in het algemeen een zeer sterke aanwijzing, die wordt beïnvloed door de overige omstandigheden van het geval, waaronder het verweer van de betrokkene. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kasopstelling voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel laat zien dat de veroordeelde in de bewezenverklaarde periode uitgaven heeft gedaan met geld dat afkomstig was uit een onbekende bron. De veroordeelde is veroordeeld voor het witwassen van onder meer dit geld, waarmee vaststaat dat het uit misdrijf afkomstig is. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat vermogensbestanddelen die het voorwerp van het misdrijf ‘witwassen’ vormen, niet reeds daardoor (geheel of ten dele) te gelden hebben als wederrechtelijk verkregen voordeel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 24 september 2020 is het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: het rapport) opgemaakt. Daarin is bij de berekening van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel in de ten laste gelegde periode de berekeningsmethode van de eenvoudige kasopstelling gehanteerd. Bij deze methode worden de beschikbare legale contante gelden vergeleken met de totale contante uitgaven. Omdat niet meer kan worden uitgegeven dan (legaal) aan inkomsten is binnengekomen, wordt – indien er geen aannemelijke verklaring volgt voor het verschil – het negatieve verschil tussen de inkomsten en uitgaven aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel. De conclusie van dit rapport is dat uit de eenvoudige kasopstelling kan worden afgeleid dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de berekening van het bedrag waarop het genoten voordeel moet worden geschat, gaat de rechtbank uit van de methode van de eenvoudige kasopstelling op basis van het rapport. </para>
      <para>De verdediging heeft aangevoerd dat in de berekening van het voordeelsbedrag, bij de vaststelling van het bedrag aan contante stortingen, ten onrechte niet de overboekingen zijn meegeteld. Deze stelling faalt. Die overboekingen doen niet af aan de uitkomst van de eenvoudige kasopstelling en het daaruit voortvloeiende (onverklaarbare) bedrag dat uiteindelijk beschikbaar is voor het doen van uitgaven. De vraag of de verdachte daadwerkelijk en uiteindelijk voordeel heeft gehad van die bedragen staat daar los van. Over dat punt heeft de verdachte ook geen informatie gegeven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het rapport vermeldt de wettige bewijsmiddelen waarop de berekening berust. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 26 maart 2013<footnote-ref linkend="_53c4c0a5-af43-4f3e-a241-67162102abec" /> zal de rechtbank deze bewijsmiddelen niet nader uitwerken of weergeven en volstaan met het vermelden van de conclusies en onderdelen van het rapport.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het rapport volgt dat de veroordeelde samen met de andere veroordeelden ( [naam medeveroordeelde 1] en [naam medeveroordeelde 2] ) een economische eenheid vormde<footnote-ref linkend="_cbbe24a8-1c36-467a-ad87-040ac94a4b67" />. Tezamen hebben zij tussen 1 januari 2016 tot en met 7 februari 2019 meer dan € 300.000,-- contant uitgegeven, hetgeen aanzienlijk meer is dan zij op legale wijze hebben ontvangen<footnote-ref linkend="_77a5a7ff-83ee-4518-a04e-79272a3822b0" />. Op grond van het rapport wordt gesteld dat de veroordeelden [naam medeveroordeelde 1] , [naam medeveroordeelde 2] en [naam veroordeelde] een wederrechtelijk verkregen voordeel hebben genoten van  € 258.456,25.</para>
      <para>Van het totale wederrechtelijk verkregen voordeel is blijkens de kasopstelling een gedeelte toe te schrijven aan de veroordeelde [naam veroordeelde] , te weten een bedrag van € 22.800,--.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit verkregen voordeel dient naar het oordeel van de rechtbank in beginsel te worden ontnomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze schatting is gegrond op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de inhoud van de (in de voetnoten vermelde) wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">VASTSTELLING VAN HET TE BETALEN BEDRAG</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het EVRM het recht van iedere veroordeelde is gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn op een ontnemingsvordering wordt beslist. In zijn standaardarrest van 17 juni 2008 heeft de Hoge Raad overwogen dat de redelijke termijn in ontnemingszaken begint op het moment dat vanwege de staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. De rechtbank stelt vast dat daarvan in dezen geen sprake is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit brengt met zich mee dat de rechtbank redenen aanwezig acht om de betalingsverplichting te verminderen. Zij zal dit doen met een bedrag € 2.000,-- De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geval geen aanleiding om dit bedrag naar boven dan wel naar beneden bij te stellen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat aan de veroordeelde [naam veroordeelde] wordt toegeschreven, wat verminderd wordt met voornoemd bedrag, door de veroordeelde aan de staat moet worden betaald. </para>
      <para>De rechtbank zal daarom aan de veroordeelde de verplichting opleggen om een bedrag van <?linebreak?>€ 20.800,-- ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de staat te betalen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij deze beslissing zijn in aanmerking genomen de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">BESLISSING</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op <emphasis role="bold">€ 22.800,-- (zegge: tweeëntwintigduizend achthonderd euro);</emphasis></para>
    <para />
    <para>- legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van <emphasis role="bold">€ 20.800,-- (zegge: twintigduizend achthonderd euro).</emphasis></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Bade, voorzitter,</para>
      <para>en mrs. D. van der Sluis en J.C. Tijink, rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van J.P. van der Wijden, griffier,</para>
      <para>en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 juli 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_8e6df41c-ee84-4c8f-866d-b798739a3f6c" label="1">
    <para> Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel ten behoeve van [naam medeveroordeelde 1] , [naam medeveroordeelde 2] en [naam veroordeelde] van 24 september 2020.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_53c4c0a5-af43-4f3e-a241-67162102abec" label="2">
    <para> Zie ECLI:NL:HR:2013:BV9087.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cbbe24a8-1c36-467a-ad87-040ac94a4b67" label="3">
    <para> Zie het rapport van berekening wederrechtelijk verkregen voordeel ten behoeve van [naam medeveroordeelde 1] , [naam medeveroordeelde 2] en [naam veroordeelde] en de daarin genoemde processen-verbaal van 24 september 2020, pagina 4 en 5.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_77a5a7ff-83ee-4518-a04e-79272a3822b0" label="4">
    <para> Zie het rapport van berekening wederrechtelijk verkregen voordeel ten behoeve van [naam medeveroordeelde 1] , [naam medeveroordeelde 2] en [naam veroordeelde] en de daarin genoemde processen-verbaal van 24 september 2020, pagina 17 en 18.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>